NAVO zet Nederland zwaar onder druk (31/10/11)

Afgelopen zaterdag schreef De Telegraaf dat de NAVO Nederland momenteel zwaar onder druk zet om de trainingsmissie in Afghanistan uit te breiden. Dringend wordt verzocht om ook politierekruten uit andere provincies dan Kunduz te trainen, evenals de grenspolitie. Dit verzoek volgt op berichten dat de Nederlandse trainers niet genoeg werk voorhanden hebben omdat het mandaat 'knelt.' Hierom werden zeven trainers uit de eerste lichting vervroegd teruggestuurd en werden tien trainers de tweede ronde thuisgelaten.

Het NAVO-verzoek viel 'in goede aarde' bij de partijen die hun fiat gaven aan de trainingsmissie. Wel werd er op gewezen dat uitbreidingen van de missie binnen het mandaat moeten blijven. Het is zeer de vraag of dat haalbaar is.

Nederland wil alle opgeleide agenten na afronding van de training monitoren om erop toe te zien dat zij niet militair worden ingezet. Het is tot nog toe echter onduidelijk of het mogelijk is een betrouwbaar systeem te installeren om agenten in Kunduz te blijven volgen. Menigeen twijfelt hier ernstig aan. Agenten uit andere provincies monitoren is een nog grotere uitdaging.

(Durandlijn)
Daarnaast hebben de Afghaanse agenten van de grenspolitie militaire bevoegdheden waardoor zij in principe buiten het mandaat vallen. Aangezien zij een frequent doelwit van allerhande opstandelingen zijn worden die bevoegdheden ook vaak gebruikt. In juli dit jaar werden bijvoorbeeld 23 grensagenten gedood door een aanval van Taliban.

Naast acties tegen opstandelingen raakt de Afghaanse grenspolitie soms ook betrokken bij gevechten met Pakistaanse grenspolitie. In feite wordt hier een oud grensconflict uitgevochten met het buurland. De Afghaanse regering weigert tot op heden de omstreden grens tussen beide landen, de zogenaamde Durandlijn, te accepteren. In april dit jaar kwamen bij verschillende gevechten rond de grens vijf Afghaanse en een Pakistaanse grensagent om het leven.

Volgende week, op 9 november, wordt verder gedebatteerd in de Kamer over uitbreiding van de missie.

Afghaanse agenten dagelijks op oorlogspad (30/10/11)

Politieagenten in Afghanistan zijn dagelijks betrokken bij offensieve militaire acties tegen Taliban en andere opstandelingen. Dat blijkt uit eigen onderzoek van Kunduz Monitor. De provincie Kunduz is hierop allerminst een uitzondering.

Na een paar uur googlen vond Kunduz Monitor, in de eerste vier weken van oktober, maar liefst 21 artikelen waarin expliciet wordt verwezen naar politiedeelname aan militaire, veelal offensieve acties, waarbij vermeende opstandelingen werden aangevallen.* De politie trad soms alleen op, maar meestal in samenwerking met Afghaanse en internationale militairen. In totaal gaat het om 130 operaties waarbij 287 opstandelingen zouden zijn gedood en 392 opstandelingen gevangengenomen. Zes artikelen noemen operaties in Kunduz.

Het is mogelijk dat agenten aan sommige van de 130 operaties niet deelnamen. De artikelen waren hier soms vaag over. Daar staat tegenover dat het zeer waarschijnlijk is dat de gevonden artikelen geen volledig beeld geven van alle militaire operaties waaraan agenten deelnamen. Geregeld werd in artikelen bijvoorbeeld alleen verwezen naar Afghaanse veiligheidsdiensten, niet specifiek naar politie. Ook was er soms sprake van mogelijke overlap. Hierdoor konden deze artikelen niet gebruikt worden. Waarschijnlijk ligt het werkelijke aantal operaties een stuk hoger.

Twee voorbeelden uit Kunduz maken duidelijk dat ook hier politie op oorlogspad doodgewoon is. Op 1 oktober vielen agenten, 250 kilometer ten noorden van de provinciehoofdstad en zonder hulp van andere eenheden, een schuilplaats van de Taliban aan. Naar eigen zeggen kwamen daarbij drie opstandelingen om. Een week later voerden agenten in Kunduz-Stad, samen met NAVO-militairen, een andere aanval uit. Vier Talibanleden zouden daarbij zijn gedood.

Deze omvangrijke praktijk van militair offensief ingezette politie zet vooral grote vraagtekens bij de haalbaarheid van de Nederlandse ambitie om met deze praktijk te breken. Duidelijk is dat de huidige situatie in het geheel niet aan het Nederlandse wensenlijstje voldoet. Daarnaast, aangezien de trainingsmissie inmiddels is begonnen, is de vraag relevant of de betrokken agenten in Kunduz van Nederlanders training hebben gehad.


* Klik op de data voor de links naar de gebruikte artikelen. Artikelen waarin een operatie in Kunduz wordt genoemd zijn voorzien van een (K): 1 oktober (K), 2 oktober, 3 oktober, 4 oktober, 5 oktober (K), 6 oktober, 8 oktober (K), 9 oktober (K), 10 oktober, 11 oktober, 12 oktober, 14 oktober (K), 15 oktober, 17 oktober, 17 oktober, 18 oktober (K), 22 oktober, 23 oktober, 26 oktober, 26 oktober, 28 oktober

Serieuze aanwijzingen dat ISAF succes overdrijft (23/10/11)

De Taliban overdrijven geregeld de aantallen door hun gedode tegenstanders. Deze oorlogspropaganda is niemand vreemd. Uit een recent verschenen rapport van de Afghanistan Analysts Network blijkt dat er serieuze aanwijzingen zijn dat hun belangrijkste tegenstander, de ISAF, hetzelfde doet.

De in Afghanistan woonachtige onderzoekers Alex Strick van Linschoten en Felix Kuehn analyseerden voor het rapport alle officiële persberichten van de ISAF uit de periode van 1 December 2009 tot 30 September 2011. Duizenden artikelen. Wat hieraan vooral opviel was dat gegevens uit deze persberichten over zogenaamde kill-capture operaties, waarbij ISAF met gerichte aanvallen leiders van de opstandelingen probeert gevangen te nemen of te doden, vaak niet aansloten bij uitlatingen van hoge militairen in andere media over uitgeschakelde leiders. Het succes werd soms stevig overdreven.

Begin maart 2011 liet ISAF bijvoorbeeld weten dat in de afgelopen tien maanden 900 leiders van de Taliban waren uitgeschakeld. In de persberichten is dit aantal niet terug te vinden. Strick van Linschoten en Kuehn kwamen slechts tot 215 gevangen en 95 gedode Talibanleiders. Daarnaast werden 180 faciliteerders gevangen en 10 gedood. Soms rekenden ISAF-persberichten faciliteerders, mensen die Talibanleiders bijvoorbeeld onderdak verschaften, ook tot de categorie leiders. Volgens de auteurs is dit zeer ten onrechte. Zelfs als de faciliteerders, die vaak opstandelingen helpen omdat ze door hen bedreigd worden, bij de leiders worden gevoegd noemde ISAF nog altijd 400 meer uitgeschakelde leiders dan er in de persberichten terug te vinden zijn.

Nog een voorbeeld. Begin september 2011 claimde ISAF dat in het afgelopen jaar meer dan 40 opstandelingen van Al-Qaida waren uitgeschakeld. Na analyse van de persberichten vonden de onderzoekers slechts 22 gedode en 10 gevangengenomen opstandelingen van de organisatie. Bovendien bleek uit de persberichten dat sommige opstandelingen Afghanen waren terwijl Al-Qaida-leden normaal gesproken Arabieren zijn. Anderen werden er slechts van verdacht banden te hebben met het terreurnetwerk. Het waren er dus waarschijnlijk nog minder. Voor een oorlog die ooit begonnen is vanwege Al-Qaida valt overigens op hoe weinig van de daadwerkelijke acties gericht zijn op deze groep.

Naast deze mogelijke overdrijving is de belangrijkste conclusie van het rapport dat er nogal wat aan te merken is op de door de ISAF geclaimde precisie van hun acties. In de 22 onderzochte maanden vonden Strick van Linschoten en Kuehn dat 3873 individuen werden gedood en dat 7146 mensen – vaak ten onrechte – gevangen werden genomen. Tussen hen zaten 174 gedode en 501 gevangengenomen leiders en 25 gedode en 423 gevangengenomen faciliteerders. Zelfs als de leiders en faciliteerders samen worden genomen betekent dat nog altijd dat 95 procent van de gedode individuen en 87 procent van de gedetineerden geen leiders waren. Met precisie heeft dat niks te maken.

De ISAF noemde de resultaten van de onderzoeken oneerlijk omdat de persberichten geen volledig beeld zouden geven van al hun operaties

Financiering Afghaanse veiligheidsdiensten na 2014 onzeker (20/10/11)

Eergisteren liet de Afghaanse minister van Defensie weten dat de Afghaanse veiligheidsdiensten na 2014, wanneer de westerse troepen het land hebben verlaten, nog altijd zo'n vijf miljard dollar per jaar zullen kosten. Dat is meer dan drie keer zo veel als de inkomsten van de regering en ongeveer een derde van het bruto nationaal product. De minister, Abdul Rahim Wardak, gaf geen indicatie hoeveel jaar deze financiële afhankelijkheid zal duren, maar al eerder schatte de Britse ambassadeur in Afghanistan dat dit tot 2025 het geval kan zijn.

Drie maanden geleden schreef Kunduz Monitor ook al over de onbetaalbaarheid van het Afghaanse leger en de politie. Toen werden de kosten, door westerse diplomaten, nog op zes miljard dollar geschat.

De grote vraag is welke westerse, in economische crisis verkerende landen dit geld tegen die tijd op willen hoesten. Afghanistancorrespondent voor de Volkskrant Natalie Righton liet zich hier zeer kritisch over uit bij Pauw & Witteman, waar ze twee weken geleden te gast was. Zij wees er op dat vooralsnog 'niemand een uitspraak doet door wie die politie betaald wordt na 2014.' Dat is een serieus probleem, want 'Afghanistan heeft niet, zoals Irak, olie om dat ooit zelf te kunnen betalen.'

Volgens Righton is het bovendien potentieel zeer gevaarlijk als de financiering straks niet goed geregeld is: 'dat is een heel groot probleem, want dan heb je een mensenmacht van een half miljoen, die je bewapend en getraind hebt en er is heel veel drugsgeld in omloop. Je kan op je vingers natellen wat er gaat gebeuren, die mensen gaan zelf naar dorpen toe om hun eten of geld bij elkaar te scharrelen.'

Twee keer tien jaar oorlog: staatssecretaris vs journalist (12/10/11)

Vorige week vrijdag was de oorlog in Afghanistan precies tien jaar oud. Zowel in EenVandaag als bij Pauw & Witteman werd die avond hier op teruggekeken en de balans opgemaakt. Wie beide afleveringen heeft gezien moet hebben gedacht dat het om twee verschillende oorlogen ging.

In EenVandaag kwam staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Ben Knapen aan het woord. Zijn eerste opmerking zette meteen de toon: 'in zekere zin katapulteren wij dit land vanuit de middeleeuwen in de eenentwintigste eeuw.' Dat kost een hoop tijd, voegde hij meteen toe, maar over honderd jaar zal hier op teruggekeken worden als een 'eerste stap.' Van een verloren oorlog was 'geen sprake.'

Door toename van geweld, (zelfmoord)aanslagen en liquidaties karakteriseren velen de situatie in het land als chaos. Knapen ziet het anders. 'Chaos gaat me veel te ver.' Hij interpreteerde de toegenomen zelfmoordaanslagen, via een omweg, zelfs als een lichtpuntje. Ze zouden een 'zekere wanhoop' suggereren van de opstandelingen, 'omdat het niet duidt op grote, georganiseerde offensieven.'

Dat we af en toe toch de indruk hebben dat het bergafwaarts gaat in Afghanistan leek Knapen te wijten aan Talibanpropaganda. Daarom waarschuwde hij dat we het zicht op het grotere geheel niet uit het oog moeten verliezen. 'Zeker, de Taliban hebben er belang bij om zo veel mogelijk die chaos te accentueren, maar we moeten van al die dingen natuurlijk niet vergeten dat heel veel dingen ook goed gaan.' Als voorbeeld van een van die vele dingen die goed gaan noemde Knapen dat er stappen zijn gezet 'om dit land een kans te geven zijn eigen stabiliteit en zijn eigen veiligheid stap voor stap op te bouwen.'

Afghanistancorrespondent van de Volkskrant Natalie Righton, die aan mocht schuiven bij Pauw & Witteman, heeft duidelijk ergens anders leren balansen. Zij gaf aan dat het steeds onveiliger wordt in Afghanistan en dat de burgers hun eigen overheid niet meer vertrouwen. Het doel dat president Bush tien jaar geleden formuleerde, om 'vrede en vrijheid' te brengen in Afghanistan, noemde ze 'jammerlijk mislukt.'

Rightons opmerkingen maken duidelijk dat er een enorme, onoverbrugbare kloof bestaat tussen haar analyse en die van de staatssecretaris. Tien jaar geleden, toen de Amerikanen binnenvielen, danste men in Kabul op straat. 'Er was echte vreugde,' aldus de journalist, maar daar is weinig meer van over. 'Als je nu door Kabul heen loopt vind je heel veel depressieve, terneergeslagen mensen. Mensen hebben geen hoop meer.' Ze zijn eigenlijk nog maar met één ding bezig. 'Afghanen zelf zijn allemaal, die ik ken, bezig met een vluchtplan. Ze willen het land uit. (…) Het hele land is bezig met weggaan.'

De verklaring voor deze enorm uiteenlopende analyses ligt voor de hand: verschillende bronnen. Staatssecretaris Knapen sprak tijdens zijn bezoek aan Afghanistan, zoals gebruikelijk is voor kabinetsleden op bezoek in Afghanistan, waarschijnlijk uitsluitend Nederlandse militairen en een aantal Afghaanse agenten en politici. Allemaal mensen die er belang bij hebben de westerse aanwezigheid in het land als een succes af te schilderen. De grote afwezigen zijn de Afghaanse burgers, een categorie mensen die Righton wel spreekt. Zij vertellen haar een heel ander verhaal. 'De woorden van parlementariërs en militairen staan in zeer, zeer schril contrast met wat je op straat hoort,' aldus Righton.

Hillens' hypocrisie en GroenLinkse naïviteit over 'civiele missie' Kunduz (09/10/11)

Vorig jaar kwam de als wederopbouwmissie gepresenteerde vechtmissie in Uruzgan plotseling tot een einde. Inmiddels draagt Nederland opnieuw bij aan de tien jaar oude, immens impopulaire NAVO-bezetting van Afghanistan. Ook deze missie, in Kunduz, gaat gepaard met de belofte dat die met vechten niets van doen heeft. 82 procent van de Nederlanders gelooft daar niets van. Daar hebben zij goede redenen voor.

(Cartoon door Mathijs Hendrix)

Tijdens het grote Kunduz-debat, eind januari dit jaar, verzekerde GroenLinks-leider Jolande Sap haar critici keer op keer dat de missie in Kunduz een puur civiele is. Sap eiste en kreeg van premier Mark Rutte, die steun van een aantal oppositiepartijen nodig had, immers de keiharde garanties dat de door Nederlandse trainers op te leiden agenten 'in de praktijk alleen voor civiele taken worden ingezet' en dat zij geen 'offensieve of militaire acties' zullen uitvoeren. Toen, in januari, was echter al duidelijk dat Saps voorstelling van zaken op zeer gespannen voet stond met de uiterst weerbarstige Afghaanse werkelijkheid. Acht maanden later, terwijl de eerste Afghaanse agenten worden opgeleid, zijn er enkel meer aanwijzingen dat GroenLinks een kat in de zak is verkocht.

Nog geen drie weken na het debat, halverwege februari, bleek uit een artikel in de Volkskrant al dat agenten in Kunduz juist graag willen vechten tegen de Taliban en niets zien in de Nederlandse voorwaarde dat dat niet mag. 'Aan politie die alleen achter winkeldieven aangaat en door de straten patrouilleert, is weinig behoefte in Afghanistan,' aldus de agenten. Twee maanden later citeerde dagblad Trouw de plaatsvervangend politiecommandant van Kunduz, Abdurrahman Aktash: 'de ervaring leert dat de politie in Kunduz vaker in gevecht raakt met de Taliban dan het Afghaanse leger.' Dat de agenten soms moeten vechten noemde Aktash 'de realiteit van vandaag.'

Na gesprekken met de politiechef van Kunduz, Samiullah Qatra, concludeerde de Volkskrant eind augustus dat door Nederland opgeleide Afghaanse agenten incidenteel toch mogen vechten tegen de Taliban om de openbare orde te herstellen. Het gaat daarbij niet louter om zelfverdedigingsacties. Na een gesprek met de politiechef vulde RTL Nieuws aan dat hij de kans 'levensgroot' schatte dat de door Nederland opgeleide agenten worden ingezet om te vechten. Eind augustus bleek eveneens dat naast de agenten en hun commandanten ook de inwoners van Kunduz juist graag willen dat de politie meevecht tegen de Taliban en dat ook zij niets begrijpen van het Nederlandse verbod hierop. Hoe door Nederland opgeleide agenten in een omgeving met dergelijke verwachtingen niet betrokken zullen raken bij gevechten, is moeilijk te begrijpen.

'In lijn' met de afspraken

Zonder meer opmerkelijk is dat de uitspraken van politiechef Qatra niet worden tegengesproken door de commandant van de Nederlandse trainingsmissie in Kunduz, Ron Smits, noch door minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal. Integendeel, Qatra's uitspraken werden door beiden bevestigd. Rosenthal noemde ze 'in lijn' met de afspraken die Nederland heeft gemaakt met de Afghaanse autoriteiten. Afghanistancorrespondent van de Volkskrant, Natalie Righton, concludeerde naar aanleiding hiervan dat, om tegemoet te komen aan de Afghaanse werkelijkheid, de definitie van niet-vechten wordt opgerekt.

Minister van Defensie, Hans Hillen, ging begin september, al betreurde hij dat later, in weekblad Vrij Nederland nog een flinke stap verder. 'De Kamer kan wel zeggen: het is een civiele missie, maar het is vooral militair,' aldus de minister. Hillen hekelde verder dat we in Nederland 'graag alleen de softe kant van zo'n expeditie zien omdat we de wereld willen verbeteren' en waarschuwde dat 'we moeten oppassen dat we onze mooie Nederlandse gevoelens niet projecteren op de harde werkelijkheid in een oorlogsgebied.'

Hillens uitspraken maken twee dingen duidelijk. Allereerst dat Hillen, wat dit dossier betreft, ongeloofwaardig is. Tijdens twee debatten in januari, toen hij nog verlegen zat om de steun van een aantal oppositiepartijen, presenteerde hij de missie immers nadrukkelijk wel als civiel. Hillen benadrukte tegenover de Tweede Kamer het civiele karakter van de Nederlandse militairen. Zij zouden 'dag en nacht intens aan een betere wereld' werken en 'vooral ook zeer idealistisch' zijn. Ook beweerde de minister het 'volstrekt' met Sap eens te zijn toen zij de nadruk legde op 'idealisme en geëngageerdheid voor Afghanistan.'

Daarnaast blijkt uit de uitspraken uiteraard ook dat Hillen zelf van mening is dat de missie militair is. Dit wordt onderstreept doordat hij het missiegebied van de Nederlanders 'oorlogsgebied' noemt. Tijdens het grote Kamerdebat in januari werd deze term zorgvuldig uit de weg gegaan. Het werd trouwens hoog tijd dat Kunduz oorlogsgebied werd genoemd, want een serie grote aanslagen waarbij tientallen doden vielen, vooral in de maanden februari en maart dit jaar maar ook daarna, laat hier weinig twijfel over bestaan.

Opiniepeiling

Op basis van bovenstaande verbaast het in het geheel niet dat uit een recente opiniepeiling van Maurice de Hond blijkt dat maar liefst 82 procent van de Nederlanders en 81 procent van de achterban van GroenLinks van mening is dat wat er ook over wordt gezegd, het gewoon een militaire missie is. Evenmin verbaast het dat 85 procent van alle Nederlanders van mening is dat wat men in de Tweede Kamer afspreekt weinig te maken heeft met de werkelijkheid in Afghanistan. Het percentage tegenstanders van de missie blijft onveranderd hoog, 64 procent, tegenover slechts 27 procent voorstanders.

Wat echter wel verbaast is het standpunt van GroenLinks. Ondanks agenten, commandanten en burgers in Kunduz die vechtende politie verlangen en verwachten; ondanks de minister die aangeeft dat de missie militair is en Kunduz oorlogsgebied; ondanks het zetelverlies in de peilingen voor GroenLinks als Kunduz het nieuws haalt; en ondanks de overtuiging bij de meeste Nederlanders dat GroenLinks beter alsnog de steun in kan trekken, blijft de partij geloven dat een puur civiele missie mogelijk is. Het is moeilijk te begrijpen hoe GroenLinks kan blijven volhouden, zoals Sap deed in het grote debat in januari, dat dit 'echt absoluut geen gewapende missie' is.


Dit artikel is oorspronkelijk geschreven voor de maandelijkse krant de socialist.

Tien jaar oorlog: desillusie (07/10/11)

Vandaag is de NAVO-oorlog in Afghanistan precies tien jaar oud. In de pers verschijnt de laatste dagen daarom de ene na de andere terugblik. De teneur is vaak grimmig. Vooral de zeer gebrekkige en bovendien afnemende veiligheid in het land stemt de Afghanen tot ontevredenheid. De geschiedenis van dit decennium in het door oorlog geplaagde land laat zich lezen als in rook opgegane verwachtingen. Een artikel van het Amerikaanse persbureau Associated Press vatte deze mijlpaal treffend samen als 'één stap vooruit en twee stappen terug.'

Gisteravond noemde de oud-bevelhebber van de NAVO-troepen in Afghanistan, Stanley McChrystal, overigens zonder dit te beogen, een van de vele oorzaken voor deze desillusie: onwetendheid. In een toespraak voor een Amerikaanse denktank liet McChrystal weten dat hij en zijn collega's niet genoeg wisten van Afghanistan. 'De meesten - inclusief ikzelf - hadden slechts een zeer oppervlakkig begrip van de situatie en geschiedenis en we hadden een verontrustend simplistisch beeld van de recente geschiedenis, van de laatste vijftig jaar.'

In de tussentijd is het kennelijk niet veel verbeterd. McChrystal gaf in de toespraak immers aan dat het de westerse troepen in het land ook nu nog ontbreekt aan de kennis om de oorlog tot een succesvol einde te brengen. Daarnaast liet hij weten dat de Verenigde Staten en hun bondgenoten pas 'iets meer' dan de helft van hun doelen hebben bereikt. Of wel, voorlopig komt er geen einde aan de oorlog, en daarmee aan de ellende, in het land.

Re-integratie Afghaanse opstandelingen valt vies tegen (05/10/11)

Sinds de herfst van 2010 proberen de Afghaanse regering en de internationale troepen, via het Afghan Peace and Reintegration Program (APRP), opstandelingen in de Afghaanse samenleving te re-integreren. In ruil voor het neerleggen van de wapens zouden de opstandelingen gegarandeerde veiligheid en banen krijgen. Tien maanden later, zo blijkt uit een vorige maand verschenen rapport van het Peace Research Institute Oslo, vallen de resultaten van dit programma vies tegen.

De schrijver van het rapport is Deedee Derksen. Zij was tijdens de Nederlandse missie in Uruzgan Afghanistancorrespondent voor de Volkskrant en schreef naar aanleiding daarvan het kritische boek Thee met de Taliban. In het rapport, Peace from the bottom-up?, legt Derksen uit waarom de resultaten van het APRP zo beperkt zijn.

Een van de belangrijkste problemen is te herleiden tot een meningsverschil. Het APRP werd opgezet om gelijktijdig, in parallelle processen, zowel de strijders met lagere rangen te re-integreren als de belangrijkste leiders van de opstandelingen in onderhandelingen tot verzoening met de Afghaanse regering te brengen. President Karzai stond achter deze opzet, maar de internationale troepen, onder leiding van de Verenigde Staten, blokkeerden dit. Zij wilden veel liever eerst alleen de lagere strijders re-integreren. Zij zagen dit als drukmiddel om de leiders van de opstandelingen tot de onderhandelingstafel te dwingen om een vrede op Amerikaanse voorwaarden te accepteren.

Dit is een probleem omdat vrijwel alle opstandelingen, die Derksen interviewde voor het rapport, aangaven slechts in re-integratie geïnteresseerd te zijn als hun leiders ook aan de onderhandelingstafel aanschuiven. Er zijn momenteel dan ook slechts 2385 opstandelingen gere-integreerd, veel te weinig om enige invloed te hebben op het beëindigen van het decennium oude conflict. Bovendien is er wel het een en ander af te dingen op dit getal.

Nogal wat van de gere-integreerde opstandelingen zijn namelijk helemaal geen gere-integreerde opstandelingen. Derksen schrijft dat de achtergrond van veel van hen onduidelijk is. Vast staat dat sommigen leden waren van criminele bendes of van regeringsgezinde milities. Aangezien 85 procent van de gere-integreerden uit provincies komen waar de opstand niet heel intens is verbaast dit niet. Maar een fractie van de gere-integreerden was een opstandeling van de Taliban.

Vele andere problemen kenmerkten de eerste tien maanden van het APRP. Omdat het programma gere-integreerde strijders vaak geen veiligheid en werk kon bieden gingen strijders op in eenheden van de Afghan Local Police (ALP), een soort dorpsmilities. Dit leidde, naast machtsmisbruik, tot opleving van oude rivaliteiten: het tegenovergestelde van het doel van het APRP. Daarnaast waren er veel vertragingen en is er nog altijd een gebrekkige vertegenwoordiging op lokaal niveau. Ook blijft het amnestiebeleid onduidelijk. Tenslotte is de leiding van het APRP bepaald niet neutraal, waardoor veel opstandelingen re-integratie als overgave interpreteren.

Kort na het verschijnen van het rapport kwamen er nog twee zeer serieuze problemen bij. Het hoofd van het APRP, Burhanuddin Rabbani, werd op 20 september gedood door een tulbandaanslag. Daarnaast concludeerde Karzai, op 1 oktober, dat onderhandelen met de Taliban geen zin hebben. Het APRP lijkt dodelijk gewond.