Na tien jaar oorlog hebben Amerikaanse soldaten hun geloof in een mogelijke overwinning in Afghanistan verloren. Dat blijkt uit een recent verschenen opiniepeiling van de Military Times. Slechts 48 procent van de geënquêteerde soldaten gaf aan het zeer waarschijnlijk dan wel enigszins waarschijnlijk te achten dat de internationale troepen er succesvol zullen zijn. Het resultaat van de peiling is niet geheel representatief (sommige groepen zijn over-, andere ondervertegenwoordigd), maar geeft wel een duidelijke indicatie. Het vertrouwen van de soldaten in een overwinning daalt al jaren gestaag.
Deze dalende trend is ook terug te zien in de steun die president Obama geniet voor zijn aanpak van de oorlog. Nog maar 27 procent van de soldaten staat daar achter.
Verschillende verklaringen werden gegeven voor dit groeiende pessimisme. Een sergeant klaagde bijvoorbeeld dat de Afghaanse regering en stamoudsten, uit angst op het verkeerde paard te wedden, ook de opstandelingen steunen. 'Iedereen weet dat de meerderheid van hen nog steeds banden met de Taliban hebben,' aldus de sergeant. Daarnaast is het gebrek aan motivatie bij het Afghaanse veiligheidspersoneel een groot probleem.
Dat laatste is ook wat Henk Sollie, die als enige in Nederland onderzoek deed naar het nut van politietrainingsmissies in het buitenland, onder andere tijdens de missie in Uruzgan, concludeerde. In een uitzending van het radioprogramma Argos begin dit jaar liet hij weten dat politietrainers aangaven dat agenten in opleiding in Afghanistan vaak alleen maar tot de lunch wilden werken en dat verzuim massaal was. Nederlandse trainers hadden het gevoel dat de agenten er helemaal niet op zaten te wachten. Ze vroegen zich hardop af waarom de agenten überhaupt op kwamen dagen. Dat had weinig te doen met motivatie, des te meer met geld en dwang van stamoudsten, aldus Sollie.
Lof voor Amerikaanse 'night raids' onterecht (25/09/11)
Samen met het opbouwen van de Afghaanse veiligheidsdiensten vormen night raids de Amerikaanse hoop op een vertrek uit Afghanistan zonder al te veel kleerscheuren. Door gerichte, nachtelijke aanvallen door speciale commando's wordt geprobeerd zo veel mogelijk leiders van de opstandelingen uit te schakelen om zo de huidige patstelling in de oorlog te doorbreken. Met enige trots presenteren de Amerikanen daarom geregeld aantallen opgepakte of gedode Talibanleiders. De Verenigde Staten spreekt vol lof over deze strategie, maar uit een recent verschenen rapport blijkt dat dit zeer onterecht is.
Het grootste kritiekpunt uit dit rapport van de Open Society Foundations en The Liaison Office, dat is gebaseerd op gesprekken met Amerikaanse functionarissen en Afghaanse burgers, is dat deze nachtelijke, onaangekondigde aanvallen steeds meer bewust de burgerbevolking tot doelwit hebben. De Amerikanen hopen zo goede inlichtingen over de vijand te winnen. 'Als je de gast die je wil niet te pakken krijgt, pak je de gast die hem kent,' aldus een Amerikaanse officier over hun aanpak. Deze praktijk staat op zeer gespannen voet met het internationaal recht zoals vastgelegd in de Geneefse conventies.
Een concreet voorbeeld uit de provincie Kunduz maakt duidelijk in hoeverre de burgerbevolking doelwit kan zijn. In oktober 2010 werden alle volwassen mannen, zo'n negentig in totaal, in het dorp Otmanzey opgepakt. Hun handen werden vastgebonden en ze werden zeven uur vastgehouden en ondervraagd in de plaatselijke moskee. Een gemaskerde man, door zijn duim omhoog dan wel omlaag te steken, wees vijftien individuen aan voor verdere verhoring op een nabijgelegen basis. Het hebben van een baard, afgedragen schouders (waaraan wapens gehangen kunnen hebben) of handen zonder eelt (waaruit zou blijken dat iemand niet regelmatig op het land werkt) was al genoeg om hiervoor aangemerkt te worden. De vijftien die langer verhoord werden, werden iets later, net als de anderen, ook weer vrijgelaten. Andere dorpen in Kunduz hebben in het recente verleden hetzelfde ondergaan.
In andere gevallen bleek het aanbieden van voedsel of onderdak aan de Taliban, dat vaak gebeurt onder dreiging van de opstandelingen, al reden genoeg om opgepakt te worden. Door dit soort oppakcriteria verbaast het niet dat uit cijfers van het Amerikaanse ministerie van Defensie blijkt dat maar liefst 90 procent van de opgepakte 'opstandelingen' door gebrek aan bewijs snel weer vrijgelaten worden.
De Afghanen zijn doodsbang voor deze night raids. Zij weten heel goed dat geregeld onschuldige burgers hierbij gedood worden. In paniek tijdens een nachtelijke aanval uit je eigen huis rennen kan bijvoorbeeld al genoeg reden zijn om doodgeschoten te worden. Ook is de kans groot opgepakt te worden. Los van de schande die hiermee gepaard gaat is de kans aanzienlijk, wanneer je in een Afghaanse gevangenis terecht komt, dat verhoortechnieken hard zijn of zelfs marteling toegepast wordt. De night raids zijn dan ook bijzonder impopulair in Afghanistan. Wanneer een aanval weer eens de verkeerde mensen doodt zijn geregeld grote, soms gewelddadige demonstraties het gevolg. President Karzai vraagt de Amerikanen daarom herhaaldelijk, om nog enig gezag onder zijn bevolking te behouden, om de aanvallen te staken.
De laatste tijd hebben de Amerikanen verbeteringen doorgevoerd met betrekking tot de uitvoering van night raids. Maar deze positieve ontwikkeling is volledig ondermijnd door de enorme toename van de aanvallen, aldus het rapport. Tijdens het presidentschap van Barack Obama zijn deze raids verveelvoudigd. Volgens een bron uit het rapport vinden er inmiddels elke nacht zo'n veertig plaats.
Het rapport uit sterke twijfels, vanwege de menselijke, politieke en strategische kosten die ermee gepaard gaan, of deze Amerikaanse aanpak wel de meest effectieve lange termijn strategie is om de militanten in Afghanistan met succes te bestrijden. Opvallend is immers dat ondanks het geclaimde succes van de strategie – vele duizenden 'opstandelingen' zijn inmiddels opgepakt of gedood – het geweld in het land alleen maar toeneemt. Eveneens valt op dat ondanks duizenden leiders die uit de weg zijn geruimd de omvang van de gewapende opstandelingen niet afneemt. In de praktijk worden opstandelingen simpelweg vervangen. Bovendien kunnen zij gemakkelijk nieuwe mensen rekruteren doordat night raids zoveel kwaad bloed zetten. Bijkomend nadeel is dat deze nieuwe leiders vaak meer ideologisch gedreven zijn en daarom minder geïnteresseerd in onderhandelingen met president Karzai of met de Amerikanen. Het resultaat zou daarom wel eens contraproductief kunnen zijn.
Daarnaast stelt de grootschalige toepassing van night raids de Amerikaanse wil om te onderhandelen met de Taliban ter discussie. De voor de hand liggende vraag is immers hoe je het vertrouwen, dat nodig is om serieuze onderhandelingen te voeren, kunt winnen van een groep opstandelingen die je tegelijkertijd probeert om het leven te brengen.
Het grootste kritiekpunt uit dit rapport van de Open Society Foundations en The Liaison Office, dat is gebaseerd op gesprekken met Amerikaanse functionarissen en Afghaanse burgers, is dat deze nachtelijke, onaangekondigde aanvallen steeds meer bewust de burgerbevolking tot doelwit hebben. De Amerikanen hopen zo goede inlichtingen over de vijand te winnen. 'Als je de gast die je wil niet te pakken krijgt, pak je de gast die hem kent,' aldus een Amerikaanse officier over hun aanpak. Deze praktijk staat op zeer gespannen voet met het internationaal recht zoals vastgelegd in de Geneefse conventies.
Een concreet voorbeeld uit de provincie Kunduz maakt duidelijk in hoeverre de burgerbevolking doelwit kan zijn. In oktober 2010 werden alle volwassen mannen, zo'n negentig in totaal, in het dorp Otmanzey opgepakt. Hun handen werden vastgebonden en ze werden zeven uur vastgehouden en ondervraagd in de plaatselijke moskee. Een gemaskerde man, door zijn duim omhoog dan wel omlaag te steken, wees vijftien individuen aan voor verdere verhoring op een nabijgelegen basis. Het hebben van een baard, afgedragen schouders (waaraan wapens gehangen kunnen hebben) of handen zonder eelt (waaruit zou blijken dat iemand niet regelmatig op het land werkt) was al genoeg om hiervoor aangemerkt te worden. De vijftien die langer verhoord werden, werden iets later, net als de anderen, ook weer vrijgelaten. Andere dorpen in Kunduz hebben in het recente verleden hetzelfde ondergaan.
In andere gevallen bleek het aanbieden van voedsel of onderdak aan de Taliban, dat vaak gebeurt onder dreiging van de opstandelingen, al reden genoeg om opgepakt te worden. Door dit soort oppakcriteria verbaast het niet dat uit cijfers van het Amerikaanse ministerie van Defensie blijkt dat maar liefst 90 procent van de opgepakte 'opstandelingen' door gebrek aan bewijs snel weer vrijgelaten worden.
De Afghanen zijn doodsbang voor deze night raids. Zij weten heel goed dat geregeld onschuldige burgers hierbij gedood worden. In paniek tijdens een nachtelijke aanval uit je eigen huis rennen kan bijvoorbeeld al genoeg reden zijn om doodgeschoten te worden. Ook is de kans groot opgepakt te worden. Los van de schande die hiermee gepaard gaat is de kans aanzienlijk, wanneer je in een Afghaanse gevangenis terecht komt, dat verhoortechnieken hard zijn of zelfs marteling toegepast wordt. De night raids zijn dan ook bijzonder impopulair in Afghanistan. Wanneer een aanval weer eens de verkeerde mensen doodt zijn geregeld grote, soms gewelddadige demonstraties het gevolg. President Karzai vraagt de Amerikanen daarom herhaaldelijk, om nog enig gezag onder zijn bevolking te behouden, om de aanvallen te staken.
De laatste tijd hebben de Amerikanen verbeteringen doorgevoerd met betrekking tot de uitvoering van night raids. Maar deze positieve ontwikkeling is volledig ondermijnd door de enorme toename van de aanvallen, aldus het rapport. Tijdens het presidentschap van Barack Obama zijn deze raids verveelvoudigd. Volgens een bron uit het rapport vinden er inmiddels elke nacht zo'n veertig plaats.
Het rapport uit sterke twijfels, vanwege de menselijke, politieke en strategische kosten die ermee gepaard gaan, of deze Amerikaanse aanpak wel de meest effectieve lange termijn strategie is om de militanten in Afghanistan met succes te bestrijden. Opvallend is immers dat ondanks het geclaimde succes van de strategie – vele duizenden 'opstandelingen' zijn inmiddels opgepakt of gedood – het geweld in het land alleen maar toeneemt. Eveneens valt op dat ondanks duizenden leiders die uit de weg zijn geruimd de omvang van de gewapende opstandelingen niet afneemt. In de praktijk worden opstandelingen simpelweg vervangen. Bovendien kunnen zij gemakkelijk nieuwe mensen rekruteren doordat night raids zoveel kwaad bloed zetten. Bijkomend nadeel is dat deze nieuwe leiders vaak meer ideologisch gedreven zijn en daarom minder geïnteresseerd in onderhandelingen met president Karzai of met de Amerikanen. Het resultaat zou daarom wel eens contraproductief kunnen zijn.
Daarnaast stelt de grootschalige toepassing van night raids de Amerikaanse wil om te onderhandelen met de Taliban ter discussie. De voor de hand liggende vraag is immers hoe je het vertrouwen, dat nodig is om serieuze onderhandelingen te voeren, kunt winnen van een groep opstandelingen die je tegelijkertijd probeert om het leven te brengen.
Onderzoeksjournalist Gareth Porter schreef een uitgebreid artikel over het rapport en het Amerikaanse netwerk PBS vertoonde een paar maanden eerder, kort na de moord op Osama bin Laden, een kritische documentaire over de overkoepelende kill/capture strategie, waar night raids de hoeksteen van vormen.
De dubbele tong van minister Hillen (18/09/11)
Twee weken geleden bleek uit een interview in Vrij Nederland dat minister van Defensie Hans Hillen de missie in Kunduz 'vooral militair' vindt. Deze opmerking ging regelrecht in tegen wat dezelfde minister eerder beweerde, tijdens de Tweede Kamerdebatten in januari dit jaar. Toen had hij nog nadrukkelijk de steun van een aantal oppositiepartijen nodig. Afgelopen donderdag, in een nieuw debat over de kwestie en onder druk van GroenLinks, de ChristenUnie en D66, kwam hij terug op zijn uitspraken. Het is opeens toch niet een missie 'in de militaire zin van het woord.'
In hetzelfde debat maakte Hillen nog een opmerking, over de aard van het werk van de Nederlandse militairen in Kunduz, waaruit opnieuw zijn dubbele tong blijkt. 'Ik zou willen dat het woord ''militair'' niet alleen geassocieerd wordt met schieten, kogels en tanks, maar juist met hetgeen onze militairen de afgelopen jaren internationaal hebben laten zien op het punt van ontwikkelingssamenwerking en op het punt van de opbouw van rechtsstatelijkheid,' aldus Hillen.
Een paar maanden eerder, tijdens een toespraak in Brussel, beweerde hij het totaal tegenovergestelde. De minister was toen nog van mening, aldus het NRC Handelsblad, 'dat militairen meer moeten vechten en zich minder als ontwikkelingswerkers moeten gedragen.' In een toelichting op de toespraak voegde hij toe dat 'militairen weer (moeten) doen waarvoor ze zijn – militaire taken verrichten en militaire successen behalen en tonen.' Daar werd nog aan toegevoegd dat we 'als krijgsmacht te veel van ons merk verwijderd geraakt' zijn. De NAVO zou tenslotte bestaan om 'vuurtjes uit te trappen, niet om missionaris van de wereld te zijn.'
De voor de hand liggende vraag is hier wie de echte Hans Hillen is. Die in de media of die in de Kamer?
Draagvlak
Eveneens uit het debat van afgelopen donderdag blijkt dat de voorstanders van de missie zich vooral zorgen maken over de gevolgen van Hillens uitspraken voor het draagvlak van de missie. Premier Rutte hierover: 'ik ben het met minister Hillen eens dat het type uitspraken waarover nu zo veel te doen is, schadelijk is voor het draagvlak voor zo'n missie. Dat zeg ik hem na. Het is nu van belang om ervoor te zorgen dat wij met elkaar aan dat draagvlak werken.'
Of het de regering zal lukken het draagvlak voor de missie tot een acceptabel niveau op te krikken is zeer te betwijfelen. Uit een recente opiniepeiling van Maurice de Hond blijkt namelijk opnieuw dat maar liefs 64 procent van de Nederlanders tegen de missie is, tegenover slechts 27 procent voor. Verder vallen twee andere percentages op. 82 procent van de Nederlanders is van mening dat wat er ook over wordt gezegd, het gewoon een militaire missie is. 85 procent is van mening dat wat men in de Tweede Kamer afspreekt weinig te maken heeft met de werkelijkheid in Afghanistan.
In hetzelfde debat maakte Hillen nog een opmerking, over de aard van het werk van de Nederlandse militairen in Kunduz, waaruit opnieuw zijn dubbele tong blijkt. 'Ik zou willen dat het woord ''militair'' niet alleen geassocieerd wordt met schieten, kogels en tanks, maar juist met hetgeen onze militairen de afgelopen jaren internationaal hebben laten zien op het punt van ontwikkelingssamenwerking en op het punt van de opbouw van rechtsstatelijkheid,' aldus Hillen.
Een paar maanden eerder, tijdens een toespraak in Brussel, beweerde hij het totaal tegenovergestelde. De minister was toen nog van mening, aldus het NRC Handelsblad, 'dat militairen meer moeten vechten en zich minder als ontwikkelingswerkers moeten gedragen.' In een toelichting op de toespraak voegde hij toe dat 'militairen weer (moeten) doen waarvoor ze zijn – militaire taken verrichten en militaire successen behalen en tonen.' Daar werd nog aan toegevoegd dat we 'als krijgsmacht te veel van ons merk verwijderd geraakt' zijn. De NAVO zou tenslotte bestaan om 'vuurtjes uit te trappen, niet om missionaris van de wereld te zijn.'
De voor de hand liggende vraag is hier wie de echte Hans Hillen is. Die in de media of die in de Kamer?
Draagvlak
Eveneens uit het debat van afgelopen donderdag blijkt dat de voorstanders van de missie zich vooral zorgen maken over de gevolgen van Hillens uitspraken voor het draagvlak van de missie. Premier Rutte hierover: 'ik ben het met minister Hillen eens dat het type uitspraken waarover nu zo veel te doen is, schadelijk is voor het draagvlak voor zo'n missie. Dat zeg ik hem na. Het is nu van belang om ervoor te zorgen dat wij met elkaar aan dat draagvlak werken.'
Of het de regering zal lukken het draagvlak voor de missie tot een acceptabel niveau op te krikken is zeer te betwijfelen. Uit een recente opiniepeiling van Maurice de Hond blijkt namelijk opnieuw dat maar liefs 64 procent van de Nederlanders tegen de missie is, tegenover slechts 27 procent voor. Verder vallen twee andere percentages op. 82 procent van de Nederlanders is van mening dat wat er ook over wordt gezegd, het gewoon een militaire missie is. 85 procent is van mening dat wat men in de Tweede Kamer afspreekt weinig te maken heeft met de werkelijkheid in Afghanistan.
Amerikaanse geopolitieke ambities obstakel voor vrede (11/09/11)
Tien jaar na de Amerikaanse invasie van Afghanistan is een einde van de oorlog in het land nog altijd niet in beeld. Sterker nog, de huidige, trieste trend is juist dat elk jaar meer slachtoffers worden gemaakt dan het jaar ervoor terwijl serieuze vredesonderhandelingen uitblijven. Het belangrijkste obstakel voor het starten van een proces van politieke verzoening, aldus de Amerikaanse regering, zijn de banden die de Taliban in Afghanistan onderhouden met Al-Qaida, de organisatie achter de aanslagen van 11 september 2001. Wie zich in het onderwerp verdiept valt echter op dat Amerikaanse geopolitieke ambities minimaal een even grote hindernis vormen.
Op 2 mei 2011, de dag dat Al-Qaida-leider Osama bin Laden werd gedood, liet de trotse Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton weten dat de Verenigde Staten zal 'doorgaan met het bevechten van Al-Qaida en hun Talibanbondgenoten.' Zij die geloofden dat Bin Ladens dood een nieuwe kans op vrede was, kwamen bedrogen uit. 'Onze boodschap aan de Taliban blijft hetzelfde,' ging Clinton verder, 'jullie kunnen niet wachten tot we vertrekken, jullie kunnen ons niet verslaan, maar jullie kunnen de keuze maken om Al-Qaida te verlaten en deel te nemen in een vreedzaam politiek proces.' Doordat de Taliban tot op de dag van vandaag weigeren te breken met Al-Qaida sleept de oorlog zich voort, zo luidt het Amerikaanse verwijt.
Bereidheid te breken
Anders dan de Verenigde Staten doet voorkomen zijn er echter nogal wat aanwijzingen die doen vermoeden dat de Taliban, als onderdeel van een vredesverdrag, wel degelijk bereid zijn de banden met Al-Qaida te verbreken. In december 2009 bijvoorbeeld lieten de Taliban in een verklaring weten 'geen agenda om zich te bemoeien met de interne zaken van andere landen' te hebben. Ze zouden bovendien bereid zijn, wanneer ze weer de touwtjes in handen hebben, hiervoor een 'juridische garantie' te bieden. Deskundigen zijn het erover eens dat hiermee naar Al-Qaida wordt verwezen, ook al wordt de organisatie zelf niet genoemd. De Taliban laten dit bewust achterwege omdat de internationale terroristische organisatie, naast Pakistan, een van de weinige bondgenoten is die het momenteel heeft. Die wil het niet al te nadrukkelijk voor het hoofd stoten.
Eind januari 2010, op de dag dat een grote Afghanistanconferentie in Londen van start ging, kwamen de Taliban met een nieuwe, vergelijkbare verklaring: 'wij zijn niet van plan om buurlanden evenals andere landen in de wereld schade toe te brengen (…). Wij zullen niet toestaan dat onze grond wordt gebruikt tegen welk land dan ook.' Dergelijke uitlatingen worden herhaaldelijk gedaan aan de vooravonden van grote conferenties etc. De in Afghanistan wonende onderzoekers Alex Strick van Linschoten en Felix Kuehn concludeerden naar aanleiding hiervan in een paper van februari 2011 voor de New York University dat 'in de laatste drie jaren (2007-10) de Taliban aanzienlijke zorg eraan besteden om in hun publieke verklaringen zichzelf impliciet van Al-Qaida te distantiëren.'
Achter de schermen is de bereidheid om met Al-Qaida te breken wel expliciet. Dat liet onder andere de voormalige minister-president van Afghanistan, Ahmad Shah Ahmadzai, die in het geheim gesprekken tussen een belangrijke vertegenwoordiger van de Taliban en een Amerikaanse generaal opzette, in een interview met persbureau Inter Press Service weten. Onafhankelijk onderzoeksjournalist Gareth Porter schreef hierover dat de Taliban, aldus de oud-minister-president, 'geen probleem hebben met het tegemoetkomen aan de vaak herhaalde Amerikaanse eis dat ze hun banden met Al-Qaida volledig verbreken.' De onderzoekers van de New York University merken in dit verband op dat de Taliban in privésferen 'duidelijke indicaties (geven) van hun ontevredenheid met de buitenlandse militanten.' Het is merkwaardig dat deze regelmatig door de Taliban geuite bereidheid om met Al-Qaida te breken in westerse media, zeker ook de Nederlandse, nauwelijks aan bod komt.
Maar nog merkwaardiger is het dat deze bereidheid door de Verenigde Staten niet met beide handen wordt aangegrepen om werk te maken van onderhandelingen. Dergelijke uitlatingen van de Taliban worden daarentegen gemakkelijk afgedaan als misleiding of, vaker, simpelweg genegeerd. De reactie die volgde op het bovengenoemde voorstel van de Taliban om een juridische garantie te geven, is typisch. 'Dit is dezelfde groep die weigerde Bin Laden op te geven, ook al hadden ze hun eigen land van oorlog kunnen redden,' aldus een Amerikaanse regeringswoordvoerder. 'Ze wilden toen niet met terroristen breken dus waarom zouden we ze nu serieus moeten nemen?'
Geen liefde
Deze bereidheid om te breken met Al-Qaida is, afgaande op de ideologische, culturele en etnische verschillen tussen de Taliban en Al-Qaida en hun uiteenlopende doelen, minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Terwijl de focus van de Taliban, waar Afghanen de leiding hebben, nadrukkelijk ligt op het bestrijden van de vijand in Afghanistan, voert Al-Qaida, onder aanvoering van voornamelijk Arabieren, niks minder dan een mondiale strijd tegen de 'verre vijand.' Nationale belangen zijn daaraan ondergeschikt. Als de gezamenlijke vijand in Afghanistan is verslagen (of er een politieke deal mee is gesloten) heeft de Taliban Al-Qaida eigenlijk niet meer nodig. Daarnaast hebben de leiders van beide organisaties sterk afwijkende culturele achtergronden en betreft het andere generaties. Hun religieus fanatisme is uiteraard een belangrijke overeenkomst, maar beide behoren tot verschillende stromingen hiervan die, zoals dat zo vaak het geval is, niet zelden met elkaar overhoop liggen.
Ook in de vroege geschiedenis van de relatie tussen de Taliban en Al-Qaida, de periode voor de aanslagen in New York en Washington, zijn duidelijke aanwijzingen te vinden dat de twee een minder innige relatie hadden dan politici ons vaak voorstelden. Zo verbond Talibanleider Mullah Omar aan Osama bin Ladens verblijf in Afghanistan bijvoorbeeld een belangrijke voorwaarde. Hij mocht de Verenigde Staten niet direct vijandig bejegenen. Doordat het wantrouwen tussen de twee in deze periode groeide werd Bin Laden bovendien gedwongen in de buurt van Mullah Omar in Kandahar te wonen en kreeg hij Talibanbodyguards zodat hij beter in de gaten gehouden kon worden. Maar Bin Laden trok zich er weinig van aan en zette de aanvallen op New York en Washington door. Volgens een belangrijke ingewijde die voor beide organisaties werkte wist Mullah Omar hier niets van af. De wetenschappers van de New York University noemen de relatie tussen de twee in de vroege jaren 'gecompliceerd en vaak gespannen.' Een zoon van Bin Laden benadrukt dat er in die jaren (net als nu) bepaald 'geen liefde' was tussen de twee organisaties.
Dit alles neemt uiteraard niet weg dat er wel degelijk ook indicaties zijn die een hele andere richting op wijzen. Zo heeft het Haqqani-netwerk, dat vooral actief is op de grens tussen Afghanistan en Pakistan en een semi-autonoom onderdeel van de Taliban uitmaakt, wel degelijk stevige banden met de mondiale terroristen. 'Het is onwaarschijnlijk dat het Haqqani-netwerk op een betekenisvolle manier de banden met Al-Qaida zal verbreken,' aldus een van de conclusies van een onderzoek over het netwerk van de Amerikaanse militaire academie West Point. Daarnaast zorgt de huidige ontwikkeling van verjonging van de Taliban, in de hand gewerkt door het Amerikaanse beleid om gericht jacht te maken op de belangrijkste Talibankopstukken, voor een sterkere band met Al-Qaida. De jongere generatie leiders is namelijk doorgaans meer ideologisch en minder pragmatisch ingesteld.
Nogal wat experts en ingewijden komen echter op basis van de eerder genoemde argumenten tot de conclusie dat de Taliban al een paar jaar klaar zijn om hun banden met Al-Qaida te verbreken. Bovengenoemde oud-minister-president van Afghanistan concludeert dat. Hetzelfde concludeert oud-medewerker van de Pakistaanse inlichtingendienst, Sultan Amir Tarar, die jarenlang de trainer van Mullah Omar was. Wat voorzichtiger, zoals het academici betaamt, concluderen Strick van Linschoten en Kuehn dat 'er ruimte is om de Taliban te engageren op de kwesties van het afstand doen van Al-Qaida en het bieden van garanties tegen het gebruik van Afghanistan door internationale terroristen op een manier waardoor kerndoelen van de Verenigde Staten behaald worden.' Auteurs James Shinn en James Dobbin, die beiden dienden onder president George W. Bush, noemen in hun recent verschenen rapport het verbreken van de banden met Al-Qaida en andere extremistische jihadi groepen een 'mogelijk terrein voor compromis' met de Taliban.
Permanente militaire aanwezigheid
Maar waarom blijft een serieus vredesoverleg met de Taliban desondanks uit? Een belangrijke reden hiervoor, al zijn andere factoren ook van belang, is de weigering van de Verenigde Staten om tegemoet te komen aan een eis die de Taliban stellen in ruil voor hun concessie met Al-Qaida te breken. Ze willen dat de Verenigde Staten alle, maar dan ook echt alle, troepen terugtrekt uit Afghanistan. Dit lijkt een groot obstakel voor een serieuze politieke dialoog met de Taliban, want alles wijst erop dat de Verenigde Staten een, weliswaar flink afgeslankte, permanente militaire aanwezigheid in Afghanistan nastreeft.
Eind februari dit jaar liet de inmiddels oud-ambassadeur van de Verenigde Staten voor Afghanistan Karl Eikenberry nog weten dat zijn land geen 'permanente bases' ambieert in Afghanistan, noch 'een aanwezigheid die een bedreiging zou kunnen zijn voor Afghanistans buurlanden.' Maar deze woordkeuze laat de nodige manoeuvreerruimte. Wat is immers een permanente basis? 'Er zijn Amerikaanse troepen in verschillende landen voor aanzienlijke tijd die daar niet permanent zijn,' zo liet een anonieme Amerikaanse militaire bron in reactie op Eikenberry's opmerking weten.
Daarnaast heeft de Verenigde Staten herhaaldelijk en plein public laten weten een rol voor zichzelf in Afghanistan te zien lang na de terugtrekdatum eind 2014. Alhoewel het geen permanente bases mogen heten, wil de Verenigde Staten wel degelijk 'gezamenlijke faciliteiten' waarvandaan 'gezamenlijke counterterrorism' missies kunnen worden ondernomen. De Verenigde Staten bereidt zich voor op 'een duurzame, lange termijn toewijding aan Afghanistan en de regio,' aldus de Amerikaanse onderminister van Defensie in maart dit jaar. Drie maanden later liet de inmiddels gepensioneerde Amerikaanse minister van Defensie Bob Gates eveneens weten 'gezamenlijke bases' te willen, aangezien deze 'acceptabeler voor het Afghaanse volk' zijn.
Ook achter de schermen wordt wel degelijk onderhandeld over een of andere blijvende aanwezigheid in Afghanistan. Alweer volgens de boven eerder opgevoerde Ahmad Shah Ahmadzai stelde de Amerikaanse onderhandelaar twee eisen aan de Taliban. Naast de eis om met Al-Qaida te breken, moest de beweging toestaan dat de Amerikanen toegang zouden krijgen tot drie luchtbases in het land. De Talibanonderhandelaar had weinig moeite met de eerste eis, maar des te meer met de tweede. 'Niet één meter,' was zijn reactie. Onlangs verscheen er in de Engelse krant The Daily Telegraph zelfs een bericht, gebaseerd op gesprekken met (deels) anonieme Amerikaanse en Afghaanse vertegenwoordigers, dat een deal over deze permanente militaire aanwezigheid bijna rond is. Het zou gaan over 'duizenden' Amerikaanse soldaten die niet alleen Afghaanse soldaten blijven trainen, maar ook door zullen gaan met counterterrorism missies en luchtaanvalllen. Amerikaanse aannemers bouwen momenteel voor vele miljoenen dollars talrijke professionele militaire bases in het land, meer dan het Afghaanse leger nodig lijkt te hebben, waardoor aan geschikte locaties in ieder geval geen enkel gebrek is.
Uitzichtloos
Tien jaar geleden begon het huidige hoofdstuk in de voortdurende oorlog in Afghanistan omdat de Taliban in Amerikaanse ogen onvoldoende weigerden te breken met Al-Qaida. Vandaag de dag, door geopolitieke ambities van een tanende grootmacht, lijkt de bereidheid van de Taliban om te breken met het inmiddels Osama bin Ladenloze Al-Qaida niet genoeg om de oorlog te beëindigen. Voor de door en door oorlogsvermoeide Afghaanse bevolking een bijzonder trieste, uitzichtloze conclusie.
Op 2 mei 2011, de dag dat Al-Qaida-leider Osama bin Laden werd gedood, liet de trotse Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton weten dat de Verenigde Staten zal 'doorgaan met het bevechten van Al-Qaida en hun Talibanbondgenoten.' Zij die geloofden dat Bin Ladens dood een nieuwe kans op vrede was, kwamen bedrogen uit. 'Onze boodschap aan de Taliban blijft hetzelfde,' ging Clinton verder, 'jullie kunnen niet wachten tot we vertrekken, jullie kunnen ons niet verslaan, maar jullie kunnen de keuze maken om Al-Qaida te verlaten en deel te nemen in een vreedzaam politiek proces.' Doordat de Taliban tot op de dag van vandaag weigeren te breken met Al-Qaida sleept de oorlog zich voort, zo luidt het Amerikaanse verwijt.
Bereidheid te breken
Anders dan de Verenigde Staten doet voorkomen zijn er echter nogal wat aanwijzingen die doen vermoeden dat de Taliban, als onderdeel van een vredesverdrag, wel degelijk bereid zijn de banden met Al-Qaida te verbreken. In december 2009 bijvoorbeeld lieten de Taliban in een verklaring weten 'geen agenda om zich te bemoeien met de interne zaken van andere landen' te hebben. Ze zouden bovendien bereid zijn, wanneer ze weer de touwtjes in handen hebben, hiervoor een 'juridische garantie' te bieden. Deskundigen zijn het erover eens dat hiermee naar Al-Qaida wordt verwezen, ook al wordt de organisatie zelf niet genoemd. De Taliban laten dit bewust achterwege omdat de internationale terroristische organisatie, naast Pakistan, een van de weinige bondgenoten is die het momenteel heeft. Die wil het niet al te nadrukkelijk voor het hoofd stoten.
Eind januari 2010, op de dag dat een grote Afghanistanconferentie in Londen van start ging, kwamen de Taliban met een nieuwe, vergelijkbare verklaring: 'wij zijn niet van plan om buurlanden evenals andere landen in de wereld schade toe te brengen (…). Wij zullen niet toestaan dat onze grond wordt gebruikt tegen welk land dan ook.' Dergelijke uitlatingen worden herhaaldelijk gedaan aan de vooravonden van grote conferenties etc. De in Afghanistan wonende onderzoekers Alex Strick van Linschoten en Felix Kuehn concludeerden naar aanleiding hiervan in een paper van februari 2011 voor de New York University dat 'in de laatste drie jaren (2007-10) de Taliban aanzienlijke zorg eraan besteden om in hun publieke verklaringen zichzelf impliciet van Al-Qaida te distantiëren.'
Achter de schermen is de bereidheid om met Al-Qaida te breken wel expliciet. Dat liet onder andere de voormalige minister-president van Afghanistan, Ahmad Shah Ahmadzai, die in het geheim gesprekken tussen een belangrijke vertegenwoordiger van de Taliban en een Amerikaanse generaal opzette, in een interview met persbureau Inter Press Service weten. Onafhankelijk onderzoeksjournalist Gareth Porter schreef hierover dat de Taliban, aldus de oud-minister-president, 'geen probleem hebben met het tegemoetkomen aan de vaak herhaalde Amerikaanse eis dat ze hun banden met Al-Qaida volledig verbreken.' De onderzoekers van de New York University merken in dit verband op dat de Taliban in privésferen 'duidelijke indicaties (geven) van hun ontevredenheid met de buitenlandse militanten.' Het is merkwaardig dat deze regelmatig door de Taliban geuite bereidheid om met Al-Qaida te breken in westerse media, zeker ook de Nederlandse, nauwelijks aan bod komt.
Maar nog merkwaardiger is het dat deze bereidheid door de Verenigde Staten niet met beide handen wordt aangegrepen om werk te maken van onderhandelingen. Dergelijke uitlatingen van de Taliban worden daarentegen gemakkelijk afgedaan als misleiding of, vaker, simpelweg genegeerd. De reactie die volgde op het bovengenoemde voorstel van de Taliban om een juridische garantie te geven, is typisch. 'Dit is dezelfde groep die weigerde Bin Laden op te geven, ook al hadden ze hun eigen land van oorlog kunnen redden,' aldus een Amerikaanse regeringswoordvoerder. 'Ze wilden toen niet met terroristen breken dus waarom zouden we ze nu serieus moeten nemen?'
Geen liefde
Deze bereidheid om te breken met Al-Qaida is, afgaande op de ideologische, culturele en etnische verschillen tussen de Taliban en Al-Qaida en hun uiteenlopende doelen, minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Terwijl de focus van de Taliban, waar Afghanen de leiding hebben, nadrukkelijk ligt op het bestrijden van de vijand in Afghanistan, voert Al-Qaida, onder aanvoering van voornamelijk Arabieren, niks minder dan een mondiale strijd tegen de 'verre vijand.' Nationale belangen zijn daaraan ondergeschikt. Als de gezamenlijke vijand in Afghanistan is verslagen (of er een politieke deal mee is gesloten) heeft de Taliban Al-Qaida eigenlijk niet meer nodig. Daarnaast hebben de leiders van beide organisaties sterk afwijkende culturele achtergronden en betreft het andere generaties. Hun religieus fanatisme is uiteraard een belangrijke overeenkomst, maar beide behoren tot verschillende stromingen hiervan die, zoals dat zo vaak het geval is, niet zelden met elkaar overhoop liggen.
Ook in de vroege geschiedenis van de relatie tussen de Taliban en Al-Qaida, de periode voor de aanslagen in New York en Washington, zijn duidelijke aanwijzingen te vinden dat de twee een minder innige relatie hadden dan politici ons vaak voorstelden. Zo verbond Talibanleider Mullah Omar aan Osama bin Ladens verblijf in Afghanistan bijvoorbeeld een belangrijke voorwaarde. Hij mocht de Verenigde Staten niet direct vijandig bejegenen. Doordat het wantrouwen tussen de twee in deze periode groeide werd Bin Laden bovendien gedwongen in de buurt van Mullah Omar in Kandahar te wonen en kreeg hij Talibanbodyguards zodat hij beter in de gaten gehouden kon worden. Maar Bin Laden trok zich er weinig van aan en zette de aanvallen op New York en Washington door. Volgens een belangrijke ingewijde die voor beide organisaties werkte wist Mullah Omar hier niets van af. De wetenschappers van de New York University noemen de relatie tussen de twee in de vroege jaren 'gecompliceerd en vaak gespannen.' Een zoon van Bin Laden benadrukt dat er in die jaren (net als nu) bepaald 'geen liefde' was tussen de twee organisaties.
Dit alles neemt uiteraard niet weg dat er wel degelijk ook indicaties zijn die een hele andere richting op wijzen. Zo heeft het Haqqani-netwerk, dat vooral actief is op de grens tussen Afghanistan en Pakistan en een semi-autonoom onderdeel van de Taliban uitmaakt, wel degelijk stevige banden met de mondiale terroristen. 'Het is onwaarschijnlijk dat het Haqqani-netwerk op een betekenisvolle manier de banden met Al-Qaida zal verbreken,' aldus een van de conclusies van een onderzoek over het netwerk van de Amerikaanse militaire academie West Point. Daarnaast zorgt de huidige ontwikkeling van verjonging van de Taliban, in de hand gewerkt door het Amerikaanse beleid om gericht jacht te maken op de belangrijkste Talibankopstukken, voor een sterkere band met Al-Qaida. De jongere generatie leiders is namelijk doorgaans meer ideologisch en minder pragmatisch ingesteld.
Nogal wat experts en ingewijden komen echter op basis van de eerder genoemde argumenten tot de conclusie dat de Taliban al een paar jaar klaar zijn om hun banden met Al-Qaida te verbreken. Bovengenoemde oud-minister-president van Afghanistan concludeert dat. Hetzelfde concludeert oud-medewerker van de Pakistaanse inlichtingendienst, Sultan Amir Tarar, die jarenlang de trainer van Mullah Omar was. Wat voorzichtiger, zoals het academici betaamt, concluderen Strick van Linschoten en Kuehn dat 'er ruimte is om de Taliban te engageren op de kwesties van het afstand doen van Al-Qaida en het bieden van garanties tegen het gebruik van Afghanistan door internationale terroristen op een manier waardoor kerndoelen van de Verenigde Staten behaald worden.' Auteurs James Shinn en James Dobbin, die beiden dienden onder president George W. Bush, noemen in hun recent verschenen rapport het verbreken van de banden met Al-Qaida en andere extremistische jihadi groepen een 'mogelijk terrein voor compromis' met de Taliban.
Permanente militaire aanwezigheid
Maar waarom blijft een serieus vredesoverleg met de Taliban desondanks uit? Een belangrijke reden hiervoor, al zijn andere factoren ook van belang, is de weigering van de Verenigde Staten om tegemoet te komen aan een eis die de Taliban stellen in ruil voor hun concessie met Al-Qaida te breken. Ze willen dat de Verenigde Staten alle, maar dan ook echt alle, troepen terugtrekt uit Afghanistan. Dit lijkt een groot obstakel voor een serieuze politieke dialoog met de Taliban, want alles wijst erop dat de Verenigde Staten een, weliswaar flink afgeslankte, permanente militaire aanwezigheid in Afghanistan nastreeft.
Eind februari dit jaar liet de inmiddels oud-ambassadeur van de Verenigde Staten voor Afghanistan Karl Eikenberry nog weten dat zijn land geen 'permanente bases' ambieert in Afghanistan, noch 'een aanwezigheid die een bedreiging zou kunnen zijn voor Afghanistans buurlanden.' Maar deze woordkeuze laat de nodige manoeuvreerruimte. Wat is immers een permanente basis? 'Er zijn Amerikaanse troepen in verschillende landen voor aanzienlijke tijd die daar niet permanent zijn,' zo liet een anonieme Amerikaanse militaire bron in reactie op Eikenberry's opmerking weten.
Daarnaast heeft de Verenigde Staten herhaaldelijk en plein public laten weten een rol voor zichzelf in Afghanistan te zien lang na de terugtrekdatum eind 2014. Alhoewel het geen permanente bases mogen heten, wil de Verenigde Staten wel degelijk 'gezamenlijke faciliteiten' waarvandaan 'gezamenlijke counterterrorism' missies kunnen worden ondernomen. De Verenigde Staten bereidt zich voor op 'een duurzame, lange termijn toewijding aan Afghanistan en de regio,' aldus de Amerikaanse onderminister van Defensie in maart dit jaar. Drie maanden later liet de inmiddels gepensioneerde Amerikaanse minister van Defensie Bob Gates eveneens weten 'gezamenlijke bases' te willen, aangezien deze 'acceptabeler voor het Afghaanse volk' zijn.
Ook achter de schermen wordt wel degelijk onderhandeld over een of andere blijvende aanwezigheid in Afghanistan. Alweer volgens de boven eerder opgevoerde Ahmad Shah Ahmadzai stelde de Amerikaanse onderhandelaar twee eisen aan de Taliban. Naast de eis om met Al-Qaida te breken, moest de beweging toestaan dat de Amerikanen toegang zouden krijgen tot drie luchtbases in het land. De Talibanonderhandelaar had weinig moeite met de eerste eis, maar des te meer met de tweede. 'Niet één meter,' was zijn reactie. Onlangs verscheen er in de Engelse krant The Daily Telegraph zelfs een bericht, gebaseerd op gesprekken met (deels) anonieme Amerikaanse en Afghaanse vertegenwoordigers, dat een deal over deze permanente militaire aanwezigheid bijna rond is. Het zou gaan over 'duizenden' Amerikaanse soldaten die niet alleen Afghaanse soldaten blijven trainen, maar ook door zullen gaan met counterterrorism missies en luchtaanvalllen. Amerikaanse aannemers bouwen momenteel voor vele miljoenen dollars talrijke professionele militaire bases in het land, meer dan het Afghaanse leger nodig lijkt te hebben, waardoor aan geschikte locaties in ieder geval geen enkel gebrek is.
Uitzichtloos
Tien jaar geleden begon het huidige hoofdstuk in de voortdurende oorlog in Afghanistan omdat de Taliban in Amerikaanse ogen onvoldoende weigerden te breken met Al-Qaida. Vandaag de dag, door geopolitieke ambities van een tanende grootmacht, lijkt de bereidheid van de Taliban om te breken met het inmiddels Osama bin Ladenloze Al-Qaida niet genoeg om de oorlog te beëindigen. Voor de door en door oorlogsvermoeide Afghaanse bevolking een bijzonder trieste, uitzichtloze conclusie.
Boter op Hans Hillens hoofd (07/09/11)
Gisteren werd het een en ander duidelijk over de kijk van minister van Defensie Hans Hillen op de missie in Kunduz. 'De Kamer kan wel zeggen: het is een civiele missie, maar het is vooral militair,' aldus de minister in weekblad Vrij Nederland. Hillen hekelt dat we in Nederland 'graag alleen de softe kant van zo'n expeditie zien omdat we de wereld willen verbeteren.' 'Ik heb voortdurend gezegd: we moeten oppassen dat we onze mooie Nederlandse gevoelens niet projecteren op de harde werkelijkheid in een oorlogsgebied,' voegt hij daar nog aan toe. De minister benadrukt verder dat hij dit 'voortdurend' heeft gezegd omdat hij 'wilde (…) dat het parlement wist waar het ja tegen zei.'
Wie uitspraken van de minister uit begin dit jaar terugleest, toen de minister nog verlegen zat om de steun van een aantal oppositiepartijen, waaronder het van 'mooie Nederlandse gevoelens' doordrenkte GroenLinks, leest echter iets heel anders.
Tijdens een debat van 26 januari benadrukte de minister vooral de civiele kant van de Nederlandse militair: 'in de algemene discussie hoor je vaak dat als het accent op minder militairen ligt, het idealistischer zou kunnen zijn, en naarmate het meer militair is, het meer vechten wordt. Gezien de geschiedenis van de mensheid is het misschien ook wel zo dat wij bij het woord ''militair'' gauw denken aan rokende kanonnen en slagvelden. De Nederlandse, moderne militair is zo niet. Ik heb het genoegen elke dag met velen van hen te mogen verkeren. De Nederlandse, moderne militair is goed opgeleid, goed getraind en heeft een uitstekende conditie. De meesten van hen zijn vooral ook zeer idealistisch en ermee bezig hun bijdrage te leveren aan een betere wereld.'
Dit klonk GroenLinks ongetwijfeld al als muziek in de oren, maar Hillen was nog niet uitgepraat: 'juist van militairen zul je vaak horen dat de oplossing om ergens rechtvaardigheid of vrede te brengen, niet de weg van het kanon of het geweervuur is. Juist zij zullen de weg van ontwikkelingssamenwerking noemen en wijzen op het geven van rechten aan de bevolking. Zij zullen wijzen op alfabetisering en economische ontwikkeling om mensen op het goede spoor te zetten en structuur te geven aan de samenleving. Onze militairen werken in het stelsel van alle deskundigheden die Nederland ontwikkeld heeft, dag en nacht intens aan een betere wereld.'
In een ander debat, een dag later, herhaalde Hillen dit punt nog eens. Daarnaast kwam hij expliciet GroenLinks-leider Jolande Sap tegemoet: 'mevrouw Sap heeft in haar betoog de nadruk gelegd op idealisme en geëngageerdheid voor Afghanistan. Dit idealisme moet ook in de politiek tot gelding komen. Ik ben dat volstrekt met haar eens. Ik hoop dat het idealisme dat GroenLinks ten toon wil spreiden en hetgeen het kabinet probeert te doen, niet alleen op het Nederlands belang zijn gericht, maar ook op betrokkenheid bij de ontwikkeling van Afghanistan.'
De conclusie die zich hier opdringt is een pijnlijke: wanneer er nood aan de man is, is kennelijk ook minister van Defensie Hans Hillen prima bereid onze mooie Nederlandse gevoelens te projecteren op de harde werkelijkheid in een oorlogsgebied zodat het parlement niet weet waar het ja tegen zegt.
Wie uitspraken van de minister uit begin dit jaar terugleest, toen de minister nog verlegen zat om de steun van een aantal oppositiepartijen, waaronder het van 'mooie Nederlandse gevoelens' doordrenkte GroenLinks, leest echter iets heel anders.
Tijdens een debat van 26 januari benadrukte de minister vooral de civiele kant van de Nederlandse militair: 'in de algemene discussie hoor je vaak dat als het accent op minder militairen ligt, het idealistischer zou kunnen zijn, en naarmate het meer militair is, het meer vechten wordt. Gezien de geschiedenis van de mensheid is het misschien ook wel zo dat wij bij het woord ''militair'' gauw denken aan rokende kanonnen en slagvelden. De Nederlandse, moderne militair is zo niet. Ik heb het genoegen elke dag met velen van hen te mogen verkeren. De Nederlandse, moderne militair is goed opgeleid, goed getraind en heeft een uitstekende conditie. De meesten van hen zijn vooral ook zeer idealistisch en ermee bezig hun bijdrage te leveren aan een betere wereld.'
Dit klonk GroenLinks ongetwijfeld al als muziek in de oren, maar Hillen was nog niet uitgepraat: 'juist van militairen zul je vaak horen dat de oplossing om ergens rechtvaardigheid of vrede te brengen, niet de weg van het kanon of het geweervuur is. Juist zij zullen de weg van ontwikkelingssamenwerking noemen en wijzen op het geven van rechten aan de bevolking. Zij zullen wijzen op alfabetisering en economische ontwikkeling om mensen op het goede spoor te zetten en structuur te geven aan de samenleving. Onze militairen werken in het stelsel van alle deskundigheden die Nederland ontwikkeld heeft, dag en nacht intens aan een betere wereld.'
In een ander debat, een dag later, herhaalde Hillen dit punt nog eens. Daarnaast kwam hij expliciet GroenLinks-leider Jolande Sap tegemoet: 'mevrouw Sap heeft in haar betoog de nadruk gelegd op idealisme en geëngageerdheid voor Afghanistan. Dit idealisme moet ook in de politiek tot gelding komen. Ik ben dat volstrekt met haar eens. Ik hoop dat het idealisme dat GroenLinks ten toon wil spreiden en hetgeen het kabinet probeert te doen, niet alleen op het Nederlands belang zijn gericht, maar ook op betrokkenheid bij de ontwikkeling van Afghanistan.'
De conclusie die zich hier opdringt is een pijnlijke: wanneer er nood aan de man is, is kennelijk ook minister van Defensie Hans Hillen prima bereid onze mooie Nederlandse gevoelens te projecteren op de harde werkelijkheid in een oorlogsgebied zodat het parlement niet weet waar het ja tegen zegt.
Nederland gaat duizenden ‘soft targets’ opleiden (03/09/11)
Uit recent gepubliceerde ISAF-cijfers blijkt eens te meer dat agenten aan regeringszijde verreweg de hardste klappen vangen in de oorlog in Afghanistan. Afgelopen jaar werden 1555 agenten gedood, meer dan twee keer zoveel als Afghaanse militairen, ook al zijn er 35 duizend minder agenten in het land. In dezelfde periode kwamen 474 Amerikaanse soldaten om.
Aangezien de agenten korter getraind en slechter uitgerust worden dan de militairen, verbazen deze cijfers niet. Terwijl militairen rondrijden in gepantserde Humvee's, moeten de agenten het doorgaans doen met pick-ups, die maar weinig bescherming tegen bermbommen bieden. Daarnaast worden militairen in stevige barakken gehuisvest terwijl agenten geregeld op afgelegen, moeilijk te verdedigen posten worden gestationeerd. De agenten vormen dan ook gemakkelijke doelwitten voor de opstandelingen. Bij de NAVO-troepen staan ze daarom bekend als soft targets.
Dat ook in Kunduz agenten gemakkelijke doelwitten zijn bleek onlangs nog. Op 29 augustus doodde een bermbom drie agenten en verwondde een vierde. De Taliban hebben de verantwoordelijkheid voor de aanslag geclaimd. Nederland stelt zich tot doel om in drie jaar tijd zo'n vijf duizend van deze soft targets op te leiden in Kunduz.
De NAVO geeft aan zich het lot van de agenten aan te trekken en wil hen daarom met 3400 extra Humvee's uitrusten. Het is echter de vraag hoeveel effect dit zal hebben. Het afgelopen jaar heeft de politie al duizend van deze voertuigen gekregen, maar die konden niet voorkomen dat verreweg de meeste slachtoffers onder de agenten vielen. En 4400 Humvee's op een geschatte politiemacht van 135 duizend agenten – niemand weet precies hoeveel agenten er zijn – is beperkt. Kortom, er zullen voorlopig genoeg soft targets voor de Taliban overblijven.
Abonneren op:
Berichten (Atom)
