Targeted killings, gerichte aanslagen door commando’s om leiders van de opstandelingen uit te schakelen, zijn een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse exit-strategie in Afghanistan. Begin mei, door de geslaagde aanslag op Osama bin Laden in Pakistan, heeft deze aanpak een sterke impuls gekregen. Een recent verschenen rapport van de Afghanistan Analysts Network, een onafhankelijke organisatie die beleidsonderzoek doet, zet hier echter grote kanttekeningen bij. In The Takhar attack legt auteur Kate Clark bijzonder gedetailleerd uit hoe door slechte inlichtingen deze aanslagen soms ook totaal mislukken waardoor de verkeerde mensen worden gedood.
Op 2 september 2010 berichtte ISAF dat coalitietroepen de schaduwgouverneur van de Taliban voor de provincie Takhar, samen met een aantal andere opstandelingen, hadden gedood. In feite, zo beweerde president Karzai en vele anderen meteen, werd een Afghaanse burger gedood die, samen met andere burgers, campagne voerde voor de parlementsverkiezingen. Het rapport bevestigt, na zeer uitgebreid onderzoek, dat de doden allen burgers waren, ook al houdt ISAF tot op de dag van vandaag vol dat het een belangrijke Talibanleider betrof. Deze houding van de NAVO-troepen in Afghanistan roept overigens een belangrijke, maar vaak zeer moeilijk te beantwoorden vraag op: wie zijn er werkelijk gedood wanneer de NAVO spreekt over gedode 'opstandelingen'?
Clark legt uit wat er 2 september mis ging. Door een zeer gebrekkig begrip van de situatie in Afghanistan werden de identiteiten van twee personen met elkaar verwisseld. Afgaande op afgeluisterde telefoongesprekken concludeerde de Amerikanen dat schaduwgouverneur Muhammad Amin, de persoon die ze uit wilden schakelen, de schuilnaam Zabet Amanullah hanteerde. In feite was laatstgenoemde een heel ander persoon met wie Muhammad Amin wel eens telefonisch contact onderhield. Door dit misverstand werd op 2 september de verkeerde persoon gedood.
Het is nogal merkwaardig dat de Amerikanen de situatie zo verkeerd inschatten, want de in de gerichte aanslag vermoorde man, Zabet Amanullah, was een erg bekend en voornaam figuur, zelfs een oud-strijder die nog tegen de Russen had gevochten. Allerlei belangrijke figuren in Afghanistan, gouverneurs, politiechefs en assistenten van de president, hadden de Amerikanen uit kunnen leggen wie hij was, maar zij werden niet geraadpleegd. Zabet Amanullah verscheen zelfs op televisie vanwege de verkiezingscampagne die hij voerde, maar ook dit ging onopgemerkt aan de Amerikanen voorbij. Volgens het rapport was een eenzijdige nadruk op afgeluisterde telefoongesprekken, signals intelligence in het jargon, de belangrijkste verklaring voor het doden van de verkeerde, onschuldige mensen. De Amerikanen checkten hun inlichtingen niet bij bronnen op de grond, human intelligence, of openbare bronnen zoals de media.
Het eindoordeel van het rapport is hard: 'de resultaten van dit onderzoek geven aan dat het inwinnen van de meest basale informatie niet werd gedaan voor een doelwit dat het leger al maanden in de gaten hield. Dit suggereert grote tekortkomingen in het verzamelen en evalueren van inlichtingen.'
Hoe de internationale troepen de Afghaanse opstandelingen betalen (22/05/11)
Drie weken geleden stond er in de New York Times een uitgebreid artikel dat goed duidelijk maakt hoe de Amerikanen in Afghanistan zelf hun vijanden financieren. Het stuk gaat over de door een Amerikaanse ontwikkelingsorganisatie gefinancierde aanleg van een weg in het oosten van het land. Om de veiligheid van het project te garanderen betaalt de ontwikkelingsorganisatie een Amerikaanse onderaannemer, die weer twee andere, een Indiase en Zuid-Afrikaanse onderaannemer betaalt, die weer Afghaanse milities betalen om de weg te beschermen. Deze milities kopen opstandelingen af, de vijanden van de Verenigde Staten, om het project niet dwars te zitten.
Afgelopen donderdag vond in het oosten van Afghanistan een grote aanval op deze weg plaats, de grootste moordpartij sinds februari. Meer dan vijfendertig wegwerkers werden in een vuurgevecht gedood door een groep Taliban. Deze aanval maakt duidelijk dat de Taliban hun voorjaarsoffensief zijn begonnen, maar ook dat het afkopen van opstandelingen niet betekent dat de veiligheid van het project per se verbetert. Het artikel in de New York Times concludeert dat er, ondanks de afbetalingen, maarliefst 364 aanvallen op het wegproject zijn uitgevoerd.
Deze dubieuze praktijk blijft niet beperkt tot de Amerikanen. Ook de Nederlandse militairen, op missie in Uruzgan, betaalden indirect een mensenrechten schendende krijgsheer om de veiligheid van een belangrijke weg te garanderen. Dat concludeerde journalist Bette Dam vorig jaar na onderzoek. De krijgsheer zou maarliefst twee- tot drieduizend dollar per vrachtwagen hebben gevraagd.
Het is, zoals zo vaak het geval is in Afghanistan, heel moeilijk om precies vast te stellen hoeveel geld er op deze manier aan de opstandelingen en krijgsheren wordt betaald. Een Amerikaanse militaire functionaris in Kabul, aldus een artikel in The Nation van eind 2009, schat dat minimaal 10 procent van alle logistieke contracten van het Amerikaanse ministerie van Defensie, honderden miljoenen dollars, hieraan opgaat.
Afgelopen donderdag vond in het oosten van Afghanistan een grote aanval op deze weg plaats, de grootste moordpartij sinds februari. Meer dan vijfendertig wegwerkers werden in een vuurgevecht gedood door een groep Taliban. Deze aanval maakt duidelijk dat de Taliban hun voorjaarsoffensief zijn begonnen, maar ook dat het afkopen van opstandelingen niet betekent dat de veiligheid van het project per se verbetert. Het artikel in de New York Times concludeert dat er, ondanks de afbetalingen, maarliefst 364 aanvallen op het wegproject zijn uitgevoerd.
Deze dubieuze praktijk blijft niet beperkt tot de Amerikanen. Ook de Nederlandse militairen, op missie in Uruzgan, betaalden indirect een mensenrechten schendende krijgsheer om de veiligheid van een belangrijke weg te garanderen. Dat concludeerde journalist Bette Dam vorig jaar na onderzoek. De krijgsheer zou maarliefst twee- tot drieduizend dollar per vrachtwagen hebben gevraagd.
Het is, zoals zo vaak het geval is in Afghanistan, heel moeilijk om precies vast te stellen hoeveel geld er op deze manier aan de opstandelingen en krijgsheren wordt betaald. Een Amerikaanse militaire functionaris in Kabul, aldus een artikel in The Nation van eind 2009, schat dat minimaal 10 procent van alle logistieke contracten van het Amerikaanse ministerie van Defensie, honderden miljoenen dollars, hieraan opgaat.
De tegenstanders van Nederland (17/05/11)
Vorige maand publiceerde de Afghanistan Analysts Network een uitgebreid en stevig gedocumenteerd onderzoek over de opstandelingen in het noorden van Afghanistan, waaronder Kunduz. Het rapport geeft een overzichtelijk beeld van de opkomst in deze regio van de Taliban en andere verzetsgroepen – de tegenstanders van de Nederlanders en de agenten die zij vanaf volgende maand gaan opleiden.
De belangrijkste bevindingen uit het rapport zijn onder andere dat de Taliban, mede als reactie op de troepenuitbreiding van de Amerikaanse president Obama in (vooral) het zuiden van Afghanistan, vanaf 2008 steeds meer militaire, maar ook politieke en economische macht hebben veroverd in het noorden. Verreweg de belangrijkste verklaring hiervoor is niet zo zeer de kracht van de Taliban als wel de zwakte van de regering-Karzai. Karzai slaagt er in het geheel niet in een enigszins functionerende overheid op te bouwen in het noorden.
Eind 2009 begon de Amerikaanse regering speciale commando's naar het noorden te sturen om Talibanleiders in zogenaamde capture or kill operaties uit te schakelen. Op de korte termijn lijkt deze aanpak een militair succes. Veel opstandelingenleiders werden en worden gedood en de Taliban hebben moeite deze te vervangen. Andere leiders vluchtten naar Pakistan. Een groot probleem is echter dat in het machtsvacuüm dat hierdoor is ontstaan de nationale regering zelfs geen begin weet te maken met het uitbreiden van het gezag. Daarnaast zijn de Taliban militair weliswaar verzwakt, maar clandestiene operaties gaan gewoon door en ook blijft de schaduwregering van de Taliban goeddeels intact.
De Taliban slagen er verder veel beter in een vorm van bestuur op te bouwen. Belangrijk in dit opzicht zijn de mobiele rechtbanken. Deze zijn snel en efficiënt, terwijl het recht onder het Karzai-bewind uiterst corrupt is, net als andere onderdelen van het ambtenarenapparaat. Inwoners respecteren de vonnissen van de Talibanrechtbanken. Ook lijken de Taliban momenteel ideologisch minder star. Meisjesscholen moeten weliswaar sluiten, maar jongensscholen niet en NGO’s, die gesteund worden vanuit de lokale gemeenschap, mogen projecten vaak blijven financieren.
Een aantal grote gevaren met betrekking tot de Amerikaanse special operations aanpak betreft vooral de langere termijn. Oudere Talibanleiders, die worden gedood, worden vervangen door jongere die vaak minder goed luisteren naar de lokale bevolking. Zij zijn meer geneigd hun wil met geweld op te leggen. Daarnaast bezitten zij weinig autoriteit om namens de lokale bevolking te onderhandelen. Dat zou een obstakel kunnen zijn wanneer serieuze vredesonderhandelingen van start gaan. Ook zijn de nieuwe leiders vaak gewelddadiger omdat ze zich nog moeten bewijzen.
Afgaande op bovenstaande trekken de onderzoekers van het Afghanistan Analysts Network een alarmerende conclusie: 'een onstabiele status quo is ontstaan. Het inherente dilemma van het succes van ISAF is de beperkte houdbaarheidsdatum [in 2014 moet de macht worden overgedragen aan de Afghaanse regering – KM]. Het Amerikaanse credo om macht over de Taliban te krijgen om ze aan de onderhandelingstafel te dwingen op basis van Amerikaanse voorwaarden slaat de plank mis: wat er ook onderhandeld wordt heeft weinig kans van slagen als de Afghaanse regering de implementatie van het bereikte akkoord moet handhaven.' De nationale regering ontbreekt hiervoor de macht en legitimiteit.
KRO Brandpunt kwam afgelopen zondag ook met een interessant item over de opstandelingen in het noorden. Een Afghaanse journalist, Najibullah Quraishi, slaagde erin om buitenlandse strijders te filmen in een buurprovincie van Kunduz. In de uitzending komt ook de Belgische terrorisme-expert Rik Coolsaet aan het woord. Op de vraag hoe realistisch het is dat de door Nederland op te leiden agenten niet gaan vechten antwoordt Coolsaet helder: 'dat is niet realistisch. (…) Het idee dat je daar een neutrale waarnemer bent en een neutrale ondersteuningsmissie..., vergeet het. Niet in dat gedeelte van Afghanistan.'
UPDATE (20/05/11):
Op de website van VD AMOK is een uitgebreidere, driedelige versie van bovenbeschreven rapport te vinden.
De belangrijkste bevindingen uit het rapport zijn onder andere dat de Taliban, mede als reactie op de troepenuitbreiding van de Amerikaanse president Obama in (vooral) het zuiden van Afghanistan, vanaf 2008 steeds meer militaire, maar ook politieke en economische macht hebben veroverd in het noorden. Verreweg de belangrijkste verklaring hiervoor is niet zo zeer de kracht van de Taliban als wel de zwakte van de regering-Karzai. Karzai slaagt er in het geheel niet in een enigszins functionerende overheid op te bouwen in het noorden.
Eind 2009 begon de Amerikaanse regering speciale commando's naar het noorden te sturen om Talibanleiders in zogenaamde capture or kill operaties uit te schakelen. Op de korte termijn lijkt deze aanpak een militair succes. Veel opstandelingenleiders werden en worden gedood en de Taliban hebben moeite deze te vervangen. Andere leiders vluchtten naar Pakistan. Een groot probleem is echter dat in het machtsvacuüm dat hierdoor is ontstaan de nationale regering zelfs geen begin weet te maken met het uitbreiden van het gezag. Daarnaast zijn de Taliban militair weliswaar verzwakt, maar clandestiene operaties gaan gewoon door en ook blijft de schaduwregering van de Taliban goeddeels intact.
De Taliban slagen er verder veel beter in een vorm van bestuur op te bouwen. Belangrijk in dit opzicht zijn de mobiele rechtbanken. Deze zijn snel en efficiënt, terwijl het recht onder het Karzai-bewind uiterst corrupt is, net als andere onderdelen van het ambtenarenapparaat. Inwoners respecteren de vonnissen van de Talibanrechtbanken. Ook lijken de Taliban momenteel ideologisch minder star. Meisjesscholen moeten weliswaar sluiten, maar jongensscholen niet en NGO’s, die gesteund worden vanuit de lokale gemeenschap, mogen projecten vaak blijven financieren.
Een aantal grote gevaren met betrekking tot de Amerikaanse special operations aanpak betreft vooral de langere termijn. Oudere Talibanleiders, die worden gedood, worden vervangen door jongere die vaak minder goed luisteren naar de lokale bevolking. Zij zijn meer geneigd hun wil met geweld op te leggen. Daarnaast bezitten zij weinig autoriteit om namens de lokale bevolking te onderhandelen. Dat zou een obstakel kunnen zijn wanneer serieuze vredesonderhandelingen van start gaan. Ook zijn de nieuwe leiders vaak gewelddadiger omdat ze zich nog moeten bewijzen.
Afgaande op bovenstaande trekken de onderzoekers van het Afghanistan Analysts Network een alarmerende conclusie: 'een onstabiele status quo is ontstaan. Het inherente dilemma van het succes van ISAF is de beperkte houdbaarheidsdatum [in 2014 moet de macht worden overgedragen aan de Afghaanse regering – KM]. Het Amerikaanse credo om macht over de Taliban te krijgen om ze aan de onderhandelingstafel te dwingen op basis van Amerikaanse voorwaarden slaat de plank mis: wat er ook onderhandeld wordt heeft weinig kans van slagen als de Afghaanse regering de implementatie van het bereikte akkoord moet handhaven.' De nationale regering ontbreekt hiervoor de macht en legitimiteit.
KRO Brandpunt kwam afgelopen zondag ook met een interessant item over de opstandelingen in het noorden. Een Afghaanse journalist, Najibullah Quraishi, slaagde erin om buitenlandse strijders te filmen in een buurprovincie van Kunduz. In de uitzending komt ook de Belgische terrorisme-expert Rik Coolsaet aan het woord. Op de vraag hoe realistisch het is dat de door Nederland op te leiden agenten niet gaan vechten antwoordt Coolsaet helder: 'dat is niet realistisch. (…) Het idee dat je daar een neutrale waarnemer bent en een neutrale ondersteuningsmissie..., vergeet het. Niet in dat gedeelte van Afghanistan.'
UPDATE (20/05/11):
Op de website van VD AMOK is een uitgebreidere, driedelige versie van bovenbeschreven rapport te vinden.
Oxfam: geen tijd te verliezen voor Afghaanse veiligheidsdiensten (11/05/11)
Dinsdag 10 mei publiceerde de NGO Oxfam, samen met een aantal andere organisaties, een alarmerend rapport over de status van de Afghaanse veiligheidsdiensten, zowel leger als politie. Al op de eerste bladzijde van het rapport schrijft de NGO dat er een serieus risico bestaat dat schendingen van mensenrechten zullen escaleren zodra de westerse troepenmacht steeds meer taken zal afstaan aan de Afghaanse overheid. Dit komt omdat adequate mechanismen om verantwoordelijkheid af te leggen niet bestaan. De Afghanen zullen hier de dupe van zijn. In juli 2011 worden de eerste provincies overgedragen aan de Afghaanse veiligheidsdiensten. In 2014, aldus de NAVO-planning, zullen de veiligheidsdiensten zelf volledig verantwoordelijk zijn om de eigen burgers te beschermen.
Een aantal grote problemen staat echter verantwoord functionerende veiligheidsdiensten in de weg. Allereerst is minimaal 10 procent van de burgerdoden in Afghanistan toe te schrijven aan de eigen veiligheidsdiensten. Daarnaast worden bij veel zogenaamde night raids, nachtelijke invallen in huizen door commando's, geen goede veiligheidsmaatregelen genomen om burgers te sparen. Ook wordt hierbij vaak gebruik gemaakt van valse, ongecheckte informatie. Burgerdoden zijn het gevolg. Andere problemen zijn de rekrutering en het seksueel misbruik van kinderen door de veiligheidsdiensten. Daarnaast vindt op grote schaal marteling van gevangenen plaats. Uit een onderzoek uit 2008 bleek dat 98,5 procent van honderden geënquêteerde gevangenen aangaven dat zij misbruikt waren door veiligheidspersoneel.
Verder wijst Oxfam er onder andere op dat er momenteel geen goede manier bestaat om in Afghanistan een klacht tegen de veiligheidsdiensten in te dienen, dat ingediende klachten niet goed worden afgewikkeld, dat compensatie aan slachtoffers vaak niet wordt uitbetaald, dat het juridische systeem erg gevoelig is voor politieke connecties, dat er geen permanente institutie is die onderzoek doet naar klachten en dat de overheid door de eigen veiligheidsdiensten gemaakte burgerdoden niet eens bijhoudt. Wat rest is een klimaat van straffeloosheid. De Afghaanse overheid, maar ook de internationale troepenmacht in het land, hebben de morele, politieke en juridische plicht, aldus Oxfam, om hier tegen op te treden. Te vaak wordt dat nu niet gedaan, blijkt uit het rapport.
Alhoewel Oxfam hier en daar wel wat verbeteringen constateert in het handelen van de veiligheidsdiensten eindigt het rapport toch met een stevige waarschuwing: 'het is niet te laat; maar wat nodig is, is een oprechte politieke betrokkenheid op het hoogste niveau van zowel de civiele als militaire leiders, in Afghanistan en internationaal, om nationale veiligheidsdiensten op te bouwen die de burgers kunnen vertrouwen.' De internationale troepenmacht heeft nog maar drie jaar om deze veiligheidsdiensten op te bouwen. Dat is erg weinig tijd. Vandaar de titel van het rapport: No time to lose. Uit de publicatie van het rapport blijkt dat Oxfam van mening is dat deze internationale politieke wil momenteel ontbreekt.
Een aantal grote problemen staat echter verantwoord functionerende veiligheidsdiensten in de weg. Allereerst is minimaal 10 procent van de burgerdoden in Afghanistan toe te schrijven aan de eigen veiligheidsdiensten. Daarnaast worden bij veel zogenaamde night raids, nachtelijke invallen in huizen door commando's, geen goede veiligheidsmaatregelen genomen om burgers te sparen. Ook wordt hierbij vaak gebruik gemaakt van valse, ongecheckte informatie. Burgerdoden zijn het gevolg. Andere problemen zijn de rekrutering en het seksueel misbruik van kinderen door de veiligheidsdiensten. Daarnaast vindt op grote schaal marteling van gevangenen plaats. Uit een onderzoek uit 2008 bleek dat 98,5 procent van honderden geënquêteerde gevangenen aangaven dat zij misbruikt waren door veiligheidspersoneel.
Verder wijst Oxfam er onder andere op dat er momenteel geen goede manier bestaat om in Afghanistan een klacht tegen de veiligheidsdiensten in te dienen, dat ingediende klachten niet goed worden afgewikkeld, dat compensatie aan slachtoffers vaak niet wordt uitbetaald, dat het juridische systeem erg gevoelig is voor politieke connecties, dat er geen permanente institutie is die onderzoek doet naar klachten en dat de overheid door de eigen veiligheidsdiensten gemaakte burgerdoden niet eens bijhoudt. Wat rest is een klimaat van straffeloosheid. De Afghaanse overheid, maar ook de internationale troepenmacht in het land, hebben de morele, politieke en juridische plicht, aldus Oxfam, om hier tegen op te treden. Te vaak wordt dat nu niet gedaan, blijkt uit het rapport.
Alhoewel Oxfam hier en daar wel wat verbeteringen constateert in het handelen van de veiligheidsdiensten eindigt het rapport toch met een stevige waarschuwing: 'het is niet te laat; maar wat nodig is, is een oprechte politieke betrokkenheid op het hoogste niveau van zowel de civiele als militaire leiders, in Afghanistan en internationaal, om nationale veiligheidsdiensten op te bouwen die de burgers kunnen vertrouwen.' De internationale troepenmacht heeft nog maar drie jaar om deze veiligheidsdiensten op te bouwen. Dat is erg weinig tijd. Vandaar de titel van het rapport: No time to lose. Uit de publicatie van het rapport blijkt dat Oxfam van mening is dat deze internationale politieke wil momenteel ontbreekt.
Is de moord op Osama bin Laden een nieuwe kans voor vrede? (10/05/11)
Sommige Amerikaanse politici suggereren dat de dood van Osama bin Laden een sterke stimulans zal zijn voor vredesonderhandelingen met de Taliban. Bin Ladens dood 'presents an opportunity for reconciliation that didn't exist before,' aldus een anonieme 'senior administration official' in de Washington Post.
Een aantal argumenten wordt aangevoerd ter onderbouwing van dit standpunt. De belangrijkste is dat Talibanopstandelingen nu bang(er) zouden zijn voor de Amerikanen aangezien Bin Ladens dood laat zien hoe effectief Amerikaanse commando's kunnen zijn. De opstandelingen kunnen de volgende op de capture or kill lijst van de commando's zijn. Daarnaast zouden Talibanleiders nu gemakkelijker hun banden met Al-Qaida kunnen doorbreken, aangezien een groot obstakel hiervoor de speciale band met Bin Laden zou zijn geweest. Voor de Amerikanen is dit een belangrijke eis voor vredesonderhandelingen.
Volgens onderzoeksjournalist en historicus Gareth Porter is dit nieuwe Amerikaanse optimisme echter misplaatst. In een kritisch artikel voor persbureau IPS zet Porter zijn tegenargumenten uiteen. De belangrijkste is dat met de dood van Bin Laden op geen enkele manier aan de belangrijkste eis van de Afghaanse opstandelingen is tegemoetgekomen: het terugtrekken van alle Amerikaanse troepen uit het land. De Verenigde Staten is daarentegen juist voorstander van een permanente aanwezigheid in Afghanistan.
Porter betwijfelt ook of de Taliban nu de banden met Al-Qaida zullen doorbreken. Zijn argumentatie is dat de Taliban in het verleden geregeld voorstellen hebben gedaan in deze richting, maar dat daar door de Verenigde Staten tot op heden niet serieus op in is gegaan. Het probleem betreft dan ook niet de bereidheid van de Taliban om met Al-Qaida te breken, maar de Amerikaanse bereidheid om hier iets tegenover te stellen, aldus deskundigen die Porter in zijn stuk opvoert.
Een aantal argumenten wordt aangevoerd ter onderbouwing van dit standpunt. De belangrijkste is dat Talibanopstandelingen nu bang(er) zouden zijn voor de Amerikanen aangezien Bin Ladens dood laat zien hoe effectief Amerikaanse commando's kunnen zijn. De opstandelingen kunnen de volgende op de capture or kill lijst van de commando's zijn. Daarnaast zouden Talibanleiders nu gemakkelijker hun banden met Al-Qaida kunnen doorbreken, aangezien een groot obstakel hiervoor de speciale band met Bin Laden zou zijn geweest. Voor de Amerikanen is dit een belangrijke eis voor vredesonderhandelingen.
Volgens onderzoeksjournalist en historicus Gareth Porter is dit nieuwe Amerikaanse optimisme echter misplaatst. In een kritisch artikel voor persbureau IPS zet Porter zijn tegenargumenten uiteen. De belangrijkste is dat met de dood van Bin Laden op geen enkele manier aan de belangrijkste eis van de Afghaanse opstandelingen is tegemoetgekomen: het terugtrekken van alle Amerikaanse troepen uit het land. De Verenigde Staten is daarentegen juist voorstander van een permanente aanwezigheid in Afghanistan.
Porter betwijfelt ook of de Taliban nu de banden met Al-Qaida zullen doorbreken. Zijn argumentatie is dat de Taliban in het verleden geregeld voorstellen hebben gedaan in deze richting, maar dat daar door de Verenigde Staten tot op heden niet serieus op in is gegaan. Het probleem betreft dan ook niet de bereidheid van de Taliban om met Al-Qaida te breken, maar de Amerikaanse bereidheid om hier iets tegenover te stellen, aldus deskundigen die Porter in zijn stuk opvoert.
Politieopbouw Afghanistan 'faalt schokkend' (05/05/11)
Het opbouwen van de Afghaanse veiligheidsdiensten, waaronder de politie, is een belangrijk onderdeel van de exitstrategie van de Amerikaanse president Obama. Zo hoopt de Verenigde Staten zonder al te veel gezichtsverlies vanaf juli 2011 te kunnen beginnen met het terugtrekken van de gevechtstroepen. Twee recente nieuwsberichten zetten echter grote vraagtekens bij de haalbaarheid hiervan.
Maandag 25 april publiceerde de Special Inspector General for Afghanistan Reconstruction, een door het Amerikaanse Congres gecreëerde post die toeziet op de besteding van hulpgelden in Afghanistan, een kritisch rapport waaruit blijkt dat de voortgang van de politieopbouw in Afghanistan tegenvalt. De belangrijkste conclusie is dat, ook al worden er miljarden dollars in de opleiding gepompt, het onmogelijk is om vast te stellen hoeveel agenten er momenteel in dienst zijn. Men weet het simpelweg niet omdat een betrouwbare, centrale databank ontbreekt.
Daarnaast weet men in veel gevallen evenmin of werkende agenten wel echt uitbetaald worden en of de agenten die uitbetaald worden wel echt werken. Ook zou het kunnen, aldus de Special Inspector, dat opgeleide agenten de opstandelingen bevoorraden door hen hun wapens te verkopen. Afgaande op dit rapport is in het geheel niet duidelijk hoe vastgesteld kan worden of de door de NAVO gestelde deadline – 134.000 politieagenten zouden in oktober klaar moeten staan – gehaald wordt.
Op dezelfde dag werd ook duidelijk dat 500 politieke gevangen in Kandahar waren ontsnapt, waaronder veel Taliban. Auto’s stonden buiten de gevangenis klaar om de ontsnapte gevangenen af te voeren. Er werd vijf maanden aan de honderden meters lange tunnel gewerkt en de aarde werd verkocht op de lokale markt in Kandahar. De Taliban eiste de verantwoordelijkheid hiervoor op en de Afghaanse minister van Justitie beschuldigde gevangenispersoneel van hulp aan de Taliban. De internationale politieorganisatie Interpol reageerde op deze gebeurtenis met de opmerking dat de NAVO-landen 'schokkend falen' bij het opleiden van Afghaanse politiemensen. In 2008 ontsnapte overigens al eens eerder zo’n 900 Taliban uit dezelfde gevangenis.
Maandag 25 april publiceerde de Special Inspector General for Afghanistan Reconstruction, een door het Amerikaanse Congres gecreëerde post die toeziet op de besteding van hulpgelden in Afghanistan, een kritisch rapport waaruit blijkt dat de voortgang van de politieopbouw in Afghanistan tegenvalt. De belangrijkste conclusie is dat, ook al worden er miljarden dollars in de opleiding gepompt, het onmogelijk is om vast te stellen hoeveel agenten er momenteel in dienst zijn. Men weet het simpelweg niet omdat een betrouwbare, centrale databank ontbreekt.
Daarnaast weet men in veel gevallen evenmin of werkende agenten wel echt uitbetaald worden en of de agenten die uitbetaald worden wel echt werken. Ook zou het kunnen, aldus de Special Inspector, dat opgeleide agenten de opstandelingen bevoorraden door hen hun wapens te verkopen. Afgaande op dit rapport is in het geheel niet duidelijk hoe vastgesteld kan worden of de door de NAVO gestelde deadline – 134.000 politieagenten zouden in oktober klaar moeten staan – gehaald wordt.
Op dezelfde dag werd ook duidelijk dat 500 politieke gevangen in Kandahar waren ontsnapt, waaronder veel Taliban. Auto’s stonden buiten de gevangenis klaar om de ontsnapte gevangenen af te voeren. Er werd vijf maanden aan de honderden meters lange tunnel gewerkt en de aarde werd verkocht op de lokale markt in Kandahar. De Taliban eiste de verantwoordelijkheid hiervoor op en de Afghaanse minister van Justitie beschuldigde gevangenispersoneel van hulp aan de Taliban. De internationale politieorganisatie Interpol reageerde op deze gebeurtenis met de opmerking dat de NAVO-landen 'schokkend falen' bij het opleiden van Afghaanse politiemensen. In 2008 ontsnapte overigens al eens eerder zo’n 900 Taliban uit dezelfde gevangenis.
Abonneren op:
Berichten (Atom)